Dennis de Lange

Tolstojanen in Nederland

Het Tolstojanisme als sociale beweging

Anarchisme en christen-anarchisme in Nederland
Nederland vormde van oudsher een vruchtbare voedingsbodem voor libertaire beginselen.  Naast een traditionele afkeer van centraal absolutistisch gezag en grote provinciale zelfstandigheid ten tijde van de Republiek speelde ook het (vrijzinnige) protestantisme daar een rol in. Er wordt dan ook vaak gesproken over ‘anarchisme in domineesland’ en ‘iets domineeachtigs’ heeft het Nederlandse anarchisme volgens Hans Ramaer altijd behouden. 
Veel Nederlandse anarchisten van rond de eeuwwisseling hadden dan ook een theologische achtergrond. De bekendste is ongetwijfeld Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Zoals reeds blijkt uit de titel van zijn autobiografie – Van christen tot anarchist – kon Domela Nieuwenhuis zijn anarchistische opvattingen op den duur niet meer verenigen met zijn religieuze opvattingen. In hetzelfde sociaal-politieke spectrum komen we nog een aantal anarchistische predikanten tegen. Zij zijn de geschiedenis ingegaan als de tolstojanen en hebben, in tegenstelling tot Domela Nieuwenhuis, hun religieuze principes helemaal niet overboord gezet. Hun anarchisme was dan ook van een heel andere orde dan dat van Domela Nieuwenhuis.
De geschiedenis van de tolstojanen is onlosmakelijk verbonden met het tijdschrift Vrede. Orgaan tot de bespreking van de praktijk der liefde. De oprichting van dit orgaan in oktober 1897 vormde het begin van hun gezamenlijk optreden naar buiten. Met de praktijk der liefde doelde men op de leer van het niet weerstaan, zoals deze door Christus werd uitgesproken in de Bergrede en door Tolstoj tot de kern van zijn visie op het christendom werd gemaakt. Lijdelijk verzet werd het uitgangspunt van het antimilitarisme van de Nederlandse volgelingen van Tolstoj, om die reden ook vaak ‘tolstojanen’ genoemd. Zelf gaven zij overigens de voorkeur aan de term christen-anarchisten; de grote Rus werd immers niet in alles nagevolgd. Toch zal ik naast de term christen-anarchisten ook de term tolstojanen hanteren, omdat deze in internationaal verband voor alle volgelingen van Tolstoj wordt gehanteerd en bovendien ook het verschil met christen-socialisten en latere religieuze anarchisten onderstreept.
Het gedachtegoed van de tolstojanen strekte zich uit over tal van zaken. In Vrede komen we artikelen tegen over de strijd tegen het militarisme, tegen vivisectie en alcoholgebruik. Veel tolstojanen waren ook actief in humanitaire verenigingen zoals de Nederlandsche Vegetariërsbond (NVB), de Nederlandsche Bond tot Bestrijding der Vivisectie (NBBV) en de Rein-Leven Beweging (RLB). En net zoals Tolstoj keerden de Nederlandse tolstojanen zich tegen de staat en het kapitalisme, maar ook tegen het socialisme en de klassenstrijd. Ze waren tegen roken en tegen het gebruik van alcohol, tegen vaccinatiedwang, voor het vrije huwelijk, maar tegen ongebreideld seksueel genot. Al deze zaken mogen voor ons weinig met elkaar te maken hebben, voor de tijdgenoot en de christen-anarchisten zelf waren zij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Door middel van lezingen, sociaal-cultureel werk en colportage met tijdschriften en brochures uit de eigen drukkerij probeerden ze hun ideeën te verspreiden. Vanaf 1899 probeerden de christen-anarchisten hun ideeën in de praktijk brengen door op communale wijze met elkaar te gaan samenleven en werken in de door hen gestichte land- en tuinbouwkolonie te Blaricum in het Gooi.
De geschiedenis van de christen-anarchisten laat men vaak eindigen met de zogeheten ‘ramp van Blaricum’ waarbij de kolonie tijdens de spoorwegstaking van 1903 door woedende dorpelingen in brand werd gestoken. Dit betekende weliswaar het einde van de kolonie, het tijdschrift bleef nog tot 1918 uitkomen en bleef een goedverzorgd en intellectueel blad. In de beste tijd kende het een oplage van twaalfhonderd exemplaren.  De aanval op de kolonie betekende voor een groot deel van de christen-anarchisten wel een scheiding der wegen, aangezien ze sindsdien nog nauwelijks gezamenlijk activiteiten ontplooiden. Nog één keer, tijdens de opstelling van het Dienstweigeringsmanifest in 1915, werd er samengewerkt in de strijd tegen de voornaamste vijand van de christen-anarchisten: het militarisme.


Er blijkt nog niet zo veel geschreven te zijn over het Nederlandse christen-anarchisme. De enige historische studie die volledig aan de tolstojanen is gewijd is De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum van M. Boersen.  Zij schrijft echter alleen over de periode van de Blaricumse kolonie. Verder is er nog de beschrijving van A.J.C. de Vrankrijker in Onze anarchisten en utopisten rond 1900, die net als Boersen getuigt van weinig historische diepgang.  De studie van R. Jans is wat uitgebreider. Zijn benadering is echter literair-historisch en Jans richt zich daarbij vooral op de receptie van Tolstoj in Nederland.  De tolstojanen komen we ook tegen in de studie van F. Becker en J. Frieswijk naar kolonies en productieve associaties in Nederland en in het werk van J. Bank en M. van Buuren over de cultuur van het fin de siècle. In beide studies richtten de auteurs zich uitsluitend op de Blaricumse periode.  
Wat al deze studies gemeen hebben, naast hun zwarte plekken, overlappingen, tegenstrijdigheden en slordigheden, is in de eerste plaats dat zij geen van allen het christen-anarchisme zelf als uitgangspunt nemen. Dat er een onderlinge relatie bestaat tussen al deze uitingen van het tolstojaanse gedachtegoed en de initiatieven waarin deze een weg vonden, lijkt de meeste auteurs te ontgaan. De onevenredige aandacht die uitgaat naar de kolonie te Blaricum zorgt er bovendien voor dat de andere activiteiten van de Vrede-beweging onderbelicht blijven. De geschiedenis van het tolstojanisme is daardoor onvolledig en gefragmenteerd.
Dit heeft in belangrijke mate te maken met onbegrip. Doordat de activiteiten van de tolstojanen voor een groot deel buiten het tijdschrift Vrede en de Internationale Broederschap plaatsvonden, kan men nu eenmaal snel aan hen voorbijgaan. Niettemin blijken de drijvende krachten achter al deze activiteiten – de Algemeene Nederlandsche Geheel-Onthouders Bond (ANGOB), de Nederlandsche Bond tot Bestrijding der Vivisectie, de Nederlandsche Vegetariërsbond, de Rein-Leven Beweging, de Vereeniging voor Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB), de Humanitaire School te Laren, het Vrije Menschen Verbond en de tijdschriften Vrede, het Vrede-Tijdschrift, het Arbeiders-Weekblad en Tegen leugen en geweld steeds dezelfde personen. Deze diversiteit aan organisaties maakt het lastig om daar één tolstojaanse beweging achter te zien. Maar dit is nu juist het kenmerk waarin anarchistische groeperingen zich doorgaans onderscheiden van sociaal-democratische en andere burgerlijke verenigingen. Zeker in de Nederlandse situatie, waar het anarchisme zich sinds Domela Nieuwenhuis eerder voordoet als een netwerk van individuen, die zich soms wat meer en soms wat minder organiseren, dan als een goed georganiseerde sociale beweging.  Een te veel op ‘de beweging’ gerichte focus kan dus maar beter vermeden worden.
Daar komt nog bij dat nagenoeg alle genoemde studies louter beschrijvend van aard zijn. Dat de aandacht hierbij vooral uitgaat naar de mislukte kolonisatiepoging en de meest utopische elementen in hun denken, heeft er voor gezorgd dat de geschiedenis van het christen-anarchisme iets wegheeft van een klucht over een stel naïeve wereldverbeteraars. De auteurs blijken hierbij steeds op dezelfde bronnen te steunen.  Toegegeven, de christen-anarchisten zullen met hun tolstojaanse baarden, manchesterbroeken, Russische kielen en sandalen (zonder sokken!) ongetwijfeld een vreemde aanblik hebben geboden wanneer zij hun groenten aanprijsden op de brink in Hilversum. Wanneer de aandacht echter te veel uitgaat naar de utopische elementen in hun gedachtegoed en naar datgene wat er misging, doet men geen recht aan datgene wat wel gerealiseerd werd. Dat de tolstojanen daarbij andere wegen kozen dan de parlementaire, mag daar ook geen afbreuk aan doen.
Dat dit door tijdgenoten en latere historici wel eens wordt vergeten, heeft voor een groot deel te maken met de ‘dubbele pet’ van de christen-anarchisten. Ze waren én christen én anarchist en dat maakte hun positie zowel binnen de protestantse kerk als binnen de arbeidersbeweging problematisch. Ze werden niet serieus genomen en als dwepers afgedaan.  De geschiedenis van het tolstojanisme is daardoor zowel in de historiografie van het protestantisme als die van de arbeidersbeweging tot op heden een ondergeschoven kindje gebleven.
De geringe aandacht voor het tolstojanisme als sociale beweging moet ook gezien worden tegen de achtergrond van de machtstrijd die er gaande was tussen de verschillende stromingen in het nog niet uitgekristalliseerde socialisme. Dit verklaart in elk geval voor een groot deel de negatieve houding van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) tegenover het tolstojanisme. De tolstojanen waren immers zowel concurrenten als potentiële medestanders van de nog maar net opgerichte SDAP. Zij rekruteerden hun aanhang uit dezelfde vijver: de nieuwe middenklassen en de bovenste lagen van de arbeidersklasse, al was de propaganda voor de klassenstrijd natuurlijk voor iedereen bedoeld. Echter de bekering van het individu waar de tolstojanen zich op richtten – verwoord in de leuze ‘Lebensreform ist Selbstreform’ – zou de sociale kwestie volgens de SDAP alleen maar privatiseren. Volgens Troelstra was dit niet alleen onwenselijk, maar zelfs schadelijk voor een echte oplossing van de sociale kwestie.  De tolstojanen waren overigens tegen de klassenstrijd: ‘Klassenstrijd en klassenhaat opheffen door klassenstrijd en klassenhaat te bestrijden, kwam neer op hetzelfde liedje: “geweld te bestrijden door geweld; den duivel uit-te-bannen met den duivel.”’  Wat betreft doel en middelen werden de tolstojanen door de socialisten dan ook nauwelijks serieus genomen. Dit heeft zijn uitwerking op de positie van de tolstojanen binnen de geschiedschrijving van het vroege socialisme niet gemist.
Jan Romein is daar een goed voorbeeld – en in belangrijke mate ook een oorzaak – van. In zijn Op het breukvlak van twee eeuwen veegt hij de christen-anarchisten op de grote hoop van de ‘kleine geloven’ van het fin de siècle, waartoe hij naast allerlei vormen van waarzeggerij en andere bovennatuurlijke praktijken ook de tolstojanen rekent: ‘de homeopaten, de antirokers, de blootvoeters, de kunstmesters, zandstraler en rein-leven mensen die in de regel tegelijk pacifisten, tegen de vivisectie en bewonderaars van de profeet van Jasnaja Poljana waren.’  Oog voor de politieke zijde van het tolstojanisme heeft Romein niet en zij komen er dan ook niet best van af: ‘de spiritisten en theosofen, de astrologen en magnetiseurs, de vegetariërs en geheelonthouders en al die andere profeten, grote en kleine, gave en geschonden, begaafde en alleen maar listige. Eénogigen die koning waren in het land der blinden of kwakzalvers in Luilekkerland.’  Andere auteurs namen dit beeld over en deze citaten van Romein komen we dan ook in veel beschrijvingen van de tolstojanen tegen.
De geringe waardering die in zijn beschrijving van al deze groepen doorklinkt valt volgens De Rooy te wijten aan Romeins Whig-interpretatie van de ontwikkeling van het socialisme: ‘de kleine geloven kwamen wellicht voort uit dezelfde motieven, maar waren van begin af gedoemd ten onder te gaan tegenover een zoveel hoger staande theorie en een zoveel praktischer gevoerde belangenstrijd: het socialisme.’  Verder is het opvallend dat Romein in zijn catalogisering van ’kleine geloven’ geen enkel selectiecriterium hanteert, waardoor het wel een zeer heterogene categorie is geworden. Juist door de tolstojanen in deze categorie te plaatsen en niet in de categorie van de anarchisten (waar overigens vooral bommengooiers aan de orde komen) of de socialisten – die in aparte hoofdstukken in Romeins boek worden besproken – impliceert Romein dat zij binnen het sociaal-politieke spectrum van geen enkele betekenis waren. Het in de bovengenoemde studies geschetste beeld van de tolstojanen als overmoedige wereldverbeteraars, wier ideeën te goed waren voor de wereld waarin zij leefden, heeft dit idee van de tolstojanen als politieke verliezers van de geschiedenis alleen maar versterkt.
Dat de tolstojanen geen parlementaire ambities hadden, betekent echter niet dat zij niets met politiek van doen hadden. Onderzoek heeft immers aangetoond dat politiek zich in de negentiende eeuw voor een groot gedeelte ook buiten de staat en het parlement afspeelde.  Volgens de tolstojanen kon maatschappelijke verbetering bovendien uitsluitend vanuit het individu zelf komen en niet van staatswege worden afgedwongen. Het veroveren van de politieke macht werd daardoor zinloos. Het streven naar institutionalisering in de vorm van een politieke partij of in wettelijke regelingen komen we bij de tolstojanen dan ook niet tegen. Juist vanwege dit aspect moeten de tolstojanen tot de anarchisten gerekend worden. En dit tegen de achtergrond van de ontwikkeling van het anarchisme in het algemeen vanaf de jaren negentig, waarin het anarchisme in Nederland zich na 1890 steeds meer op zijdepaden bewoog, zoals het antimilitarisme, de vrije opvoeding, de vrijdenkersbeweging, de seksualiteit en de strijd voor mensenrechten. In de tweede plaats waren er de activiteiten buiten de bestaande maatschappij, waarbij men zich van die maatschappij afwendde, maar tevens die maatschappij het voorbeeld wilde geven door middel van binnenlandse kolonisatie (communes) en productieve associaties.  Romein lijkt zich dit niet te realiseren en ziet de ‘kleine geloven’ vooral als irrationele reactie op de rationalisering van de maatschappij.
Echter juist vanwege dit sociaal-politieke engagement en de actieve pogingen om de maatschappij te verbeteren – iets wat we bij de andere ‘kleine geloven’ zeker niet tegenkomen – ben ik van mening dat de tolstojanen niet thuishoren in deze categorie van Romein. Ondanks het feit dat de tolstojaanse beweging als zodanig versnipperd was en het tolstojanisme in tal van clubs en verenigingen te bespeuren viel, denk ik dat we de tolstojanen toch goed als (anarchistische) sociale beweging kunnen beschouwen. Weliswaar niet in de vorm van een goed georganiseerde politieke partij, maar liever als een netwerk van individuen met een collectieve identiteit. Door de tolstojanen op deze wijze te beschouwen, hoop ik hen te kunnen onttrekken aan de schimmige categorie van de ‘kleine geloven’ van  Romein.
Tegelijkertijd wil ik het ontstaan van het tolstojanisme als sociale beweging beschrijven en verklaren, om zo in een belangrijke leemte te voorzien en te komen tot een herwaardering van het tolstojanisme binnen de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging. Mijn aandacht zal hierbij in het bijzonder uitgaan naar de rol die individuele tolstojanen hebben gespeeld in de Nederlandse humanitaire beweging. De invloed die zij hebben gehad in de oprichting en op de aanvankelijke koers en tactieken van de Algemeene Nederlandsche Geheel-Onthouders Bond, de Nederlandsche Vegetariërsbond en de Nederlandsche Bond tot Bestrijding der Vivisectie is aanzienlijk. En hoewel de tolstojaanse propaganda voor het lijdelijk verzet geen blijvende organisatorische verbanden heeft opgeleverd, werd het Dienstweigeringsmanifest een groot succes en is geweldloze actie sinds Tolstoj, Ghandi en Martin Luther King een veel beproefde methode geworden om verandering teweeg te brengen.   
 


Kelderuitgeverij, Utrecht, 2010, 2011


176 pag, geïllustreerd
ISBN 9789079395095
Prijs € 15,00, Porto € 3,15