J. J. GIELE, ARBEIDERSZELFBESTUUR

Opstand en Revolutie in Barcelona

De gebeurtenissen in Spanje tussen 17 en 20 juli 1936 betekenden de afsluiting van een hoofdstuk uit de Spaanse geschiedenis en het begin van een nieuwe periode. De Tweede Republiek ging ten onder en de Spaanse Burgeroorlog nam een aanvang. Met de opstand van het leger en de gebeurtenissen die daarop volgden, brak de sociale revolutie in Spanje uit. Terwijl de rechtse groeperingen en de fascisten juist beoogden de dreigende sociale hervormingen de kop in te drukken, riepen zij een sociale revolutie op door de militaire opstand te beginnen. Of, zoals één van de auteurs over deze periode het uitdrukte: "Op 18 juli kwamen de generaals in opstand en begon de Spaanse Burgeroorlog. Op 19 juli kwamen de anarchosyndicalisten en socialisten ook in opstand en begon de Spaanse revolutie."

DE GEVECHTEN VAN 19 EN 20 JULI 1936

De berichten over de opstand van het leger in Marokko onder generaal Franco werden in de middag van 17 juli in Barcelona ontvangen. De langverwachte crisis was eindelijk uitgebroken en nog vÓÓr de opstand naar het vasteland van Spanje was overgeslagen, wankelde de Tweede Republiek op haar grondvesten. Onder de bevolking van Barcelona ontstond grote beroering. Een enorme menigte verzamelde zich op de Ramblas, de centrale verkeersader van Barcelona, en betoogde voor bewapening van de arbeidersorganisaties. Evenals de regering in Madrid weigerde de Generalidad echter om zijn toevlucht tot deze revolutionaire maatregel te nemen. Integendeel, de politie kreeg nog op 18 juli opdracht om allen, die in het bezit van wapens waren, te arresteren. De stemming onder de arbeiders was echter zo vastbesloten dat zij onmiddellijk in actie komen. Een aantal leden van het syndicaat van transportarbeiders wist in de haven enkele schepen te bestormen en een aantal wapens buit te maken. De overheid was niet van plan dit te nemen en stuurde daarop de Guardia de Asalto (speciale politietroepen) naar het gebouw van het syndicaat om desnoods met geweld de wapens in beslag te nemen. ZÓ weinig begreep men op dat ogenblik de noodzaak van een gezamenlijk optreden tegen het gevaar van de militaire opstand! Alleen door bemiddeling van Durruti en Ascaso, twee anarchistische voormannen, wordt een gewapend conflict tussen de Guardias en de arbeiders bezworen. De laatsten geven een groot gedeelte van hun wapens weer af.
In de loop van zaterdag 18 juli bereiken de eerste berichten over de opstand in Andalusië Barcelona en neemt de spanning verder toe. In de gebouwen van de syndicaten verzamelen zich steeds meer arbeiders. Stoottroepen en patrouilles worden gevormd en de tactiek wordt besproken. Ordonnansen rijden af en aan en luidsprekers schetteren keihard door de straten. De radio roept allen op om waakzaam te zijn en een verrassingsaanval van het leger onmogelijk te maken. Een revolutionaire koorts maakt zich meester van Barcelona.
Durruti en enkele andere anarchistische woordvoerders nemen contact op met president Luis Companys en beloven om met duizend geweren de militairen te verhinderen uit de kazernes te komen. Opnieuw wordt dit aanbod geweigerd, hoewel een verbindingscomité tussen de Generalidad en de anarchisten ingesteld wordt. De overheid vertrouwde op de loyaliteit van de Guardias en de politie om de opstand te verhinderen. Met een onbegrijpelijk optimisme worden verdere maatregelen uitgesteld.
In de loop van de avond van de 18e juli besluiten de CNT-syndikaten om zelf de leiding van de verdediging van de stad op zich te nemen. Het Regionaal Comité van Catalonië is permanent bijeen in het gebouw van het bouwvakkersyndicaat en organiseert het verzet in Barcelona. Groepen arbeiders nemen taxi's en particuliere auto's in beslag om het vervoer naar bedreigde punten te kunnen regelen. Rond de meeste openbare gebouwen en op strategische punten worden geïmproviseerde barricades opgeworpen. Enkele wapenwinkels in het centrum worden leeggehaald, ook al bestaat de buit slechts grotendeels uit onbruikbare jachtgeweren. De anarchisten worden aldus van het ene moment op het andere van vervolgde misdadigers tot de organisatoren van het antifascistische verzet. Grote groepen CNT-arbeiders bezetten de Ramblas en op de banken in de straten zitten gewapende arbeiders in de zwoele nacht en wachten. Om twee uur 's nachts begeeft Companys zich met enkele leden van zijn regering naar het commissariaat voor Openbare Orde, dat tevens het hoofdkwartier van de Guardias de Asalto was.
Tussen vier en vijf uur in de ochtend gebeurt datgene waar allen op gewacht hadden. Door ordonnansen wordt in vliegende haast meegedeeld dat een regiment soldaten de Pedralbes-kazerne in het Noorden van de stad heeft verlaten, en langs de Gran Via Diagonal naar het centrum optrekt. Even later worden kanonschoten uit de artilleriekazernes gehoord, ten teken dat ook daar de strijd begonnen is. Boven het ademloos wachtende Barcelona beginnen de fabriekssirenes aan de rand van het centrum te huilen om voorlopig niet meer op te houden. Geweervuur knettert in de verte. De opstand van het leger is begonnen.
Uit alle gegevens blijkt dat deze opstand bijzonder goed voorbereid was. Barcelona ligt in een vlakte aan zeeën is aan alle kanten omgeven door steile heuvels. Aan de periferie van de stad, in de voorsteden, waren de meeste kazernes van het garnizoen gelegen. Het plan was dat de regimenten van deze kazernes het eerst in actie zouden komen en via de grote aanvoerwegen naar het centrum zouden oprukken om daar contact te maken met de soldaten uit de centraal gelegen kazernes. Het dichtbevolkte en revolutionaire centrum van de stad zou aldus in een dodelijke omklemming gevat worden en door de artillerie uit de havenwijken bedreigd worden. Ieder opstandig regiment had gedetailleerde plannen en schema's ontvangen en alle maatregelen voor communicatie en coördinatie van de troepen bewegingen waren genomen.
Toch zou het hele plan op een bloedig fiasco uitdraaien. De geplande verbindingen werden niet tot stand gebracht, de artillerie bereikte nooit het centrum en de leiders van de opstand waren weldra de eersten die zich overgaven. Dit alles was het gevolg van het krachtige verzet en de revolutionaire stootkracht van de anarchistische militanten. Barcelona was op 19 juli 1936 getuige van een van de zeldzame voorbeelden uit de geschiedenis, waarbij een geregeld leger door volksmassa's in een langdurige slag verslagen werd. In hun plannen hadden de samenzweerders natuurlijk met een eventueel verzet van de anarchistische arbeiders rekening gehouden, maar zij hadden hun tegenstanders op één punt onderschat. De anarchisten beheersten de strategie en tactiek van het straatgevecht volkomen. De revolutiepogingen uit de laatste jaren wierpen eindelijk vruchten af.
De leiding van de opstand in Catalonië was in handen van generaal Goded, opperbevelhebber van het leger op de Balearen en een van de initiatiefnemers van de militaire staatsgreep. Het belang van de stad Barcelona en de vrees voor felle tegenstand van de anarchisten was zo groot, dat Goded persoonlijk de leiding van de acties op zich had genomen. Tot aan zijn komst uit Mallorca zou de leiding in handen van generaal Burriel zijn. Deze telefoneerde om acht uur in de ochtend van de 19e juli naar Goded dat alles goed ging en dat naar zijn verwachtingen de strijd binnen enkele uren beslist zou zijn. De troepen waren op dat moment op de Plaza de Cataluna aangekomen, het hart van Barcelona waar alle belangrijke hoofdstraten met de Ramblas samenkomen.
Om halféén 's middags naderde het vliegtuig van Goded de stad. Toen dit toestel echter boven de stad cirkelde om te landen, werd het duidelijk dat de berichten van generaal Burriel op zijn minst prematuur waren geweest. Overal woedde een hevige strijd tegen de legereenheden. Behalve het Plaza de Cataluna was géén der strategische punten van de binnenstad in handen van de opstandelingen.
In de buitenwijken waren de artillerie- en cavalerieregimenten tot staan gebracht. Kazernes werden door bewapende arbeiderstroepen (milities) belegerd. Vliegtuigen van de loyaal gebleven luchtmacht cirkelden boven de stad en bombardeerden troepenconcentraties van de fascistische opstandelingen. Het watervliegtuig van Goded landt dicht bij de haven. Uit de eerste informaties blijkt hoe slecht de toestand in werkelijkheid is. Met moeite weet de generaal het gebouw van de Capitania te bereiken, waar het leger het hoofdkwartier heeft en van waaruit de opstand geleid wordt. De loyaal gebleven garnizoenscommandant Llanos de Encomiendas en enkele andere officieren worden daar door Burriel gevangen gehouden. Generaal Llano, die tot de uiterst gematigde republikeinen behoorde, had verklaard in geval van nood liever voor het communisme dan voor het fascisme te zullen kiezen. Ondanks dreigementen van Goded blijft hij bij zijn weigering. Ook de Guardias de Asalto bleven trouw aan de Republiek, en vochten in de straten zij aan zij met de anarchisten, hun vroegere vijanden. Zelfs een deel van de Guardia Civil onder generaal Anguren en kolonel Escobar vocht aan de kant van het volk, ook al hadden de meeste officieren tevoren steun aan de opstand beloofd. Op deze manier worden de arbeidersmilities, die de eerste aanvallen hadden afgeslagen, in de loop van de middag versterkt en kunnen zij op hun beurt in het offensief gaan.
Het probleem van de wapens werd door de arbeiders op klassieke manier opgelost. Zij veroverden hun wapens grotendeels op hun tegenstanders. De strijd in Barcelona was aanvankelijk zeer verward. In de vroege morgen vielen groepen arbeiders de oprukkende legereenheden met pistolen, eigengemaakte bommem en flessen benzine aan of bestookten hen vanuit huizen en vanaf daken met allerlei projectielen. Hierdoor werden de militairen gedwongen op pleinen en op belangrijke punten detachementen soldaten achter te laten, die later door massale aanvallen van de arbeidersmilities verdreven werden. In enkele gevallen wisten de arbeiders hun tegenstanders te bewegen niet op hun 'broeders' te schieten en verbroederden de twee partijen zich na vurige toespraken. De soldaten maakten in deze gevallen meestal korte metten met hun officieren. Velen van de soldaten waren in de veronderstelling dat zij een communistische staatsgreep moesten verijdelen en aan anderen was verteld dat zij de volksfrontregering verdedigden.
De eerste uren van de strijd waren in alle opzichten beslissend. De afgesproken doelen werden door het verzet van de arbeiders niet bereikt door de legereenheden, behalve het Plaza de Cataluna. De regimenten werden gedwongen om zonder verband strijd te leveren aan de rand van het centrum, dat vast in handen van de arbeiders was.
Een typisch voorbeeld van de onmacht van de officieren om de kracht van de anarchistische straatvechters te begrijpen, was de slag om de Montana-kazerne. Dit artilleriedepot lag in de havenwijk Barceloneta en de soldaten daar hadden tot taak om vanaf de haven de binnenstad in te trekken en de officiële gebouwen van de Gene-ralidad te bestormen. VÓÓr de opstand waren de officieren vol goede moed geweest en hadden zij verklaard: "Zo gauw ze het bulderen van onze kanonnen horen, gaat het hele gewapende plebs op de loop. Tijdens de oktoberopstand van 1934 was één batterij van de zware artillerie voldoende geweest om de opstand te dempen. Na twee of drie schoten op het gebouw van de Generalidad werd de witte vlag uitgestoken. Men vergat in legerkringen echter dat de anarchisten niet deel hadden genomen aan de opstand. In de ochtend van de 19e juli kwamen de artillerietroepen niet verder dan enkele pleinen in Barceloneta zelf. De tegenstand van deze overwegend anarchistische volkswijk was zo hevig, dat het regiment zich weldra moest verschansen. Ondanks het feit dat men met de kanonnen grote bressen in de militietroepen schoot, bleven de arbeiders aanvallen en wisten zij enkele stukken geschut te veroveren. Van een vele tonnen wegende rol papier maakten zij een mobiele barricade en spoedig was een groot aantal soldaten volledig uit elkaar geslagen. Zware vrachtwagens reden blindelings in op de soldaten en doorbraken hun gelederen. Na een strijd van vijf uur moesten de regimenten van de zware artillerie zich terugtrekken met zware verliezen. In de loop van de middag gaf het restant van de verdedigers zich na een formeel beleg over.
De troepen die vanaf het oosten en het westen naar het centrum optrokken om zich op het Plaza de Cataluna aan te sluiten bij de soldaten van de Pedralbes-kazerne, werden eveneens aan de rand van de binnenstad teruggeslagen. Vooral de grote Rondas of boulevards, die het Centrum aan alle kanten omgeven, waren het toneel van hevige gevechten. De cavalerie wordt door de FAI-militanten teruggeslagen; slechts een klein gedeelte weet de Plaza de Cataluna te bereiken. Sommige troepen slagen er in om op enkele andere pleinen nog tot in de namiddag stand te houden. Daarna trekken zij zich op verzoek van Goded terug in de versterkte kazernes. Intussen werd de zwaarste slag geleverd op de Plaza de Cataluna, waar de eerste regimenten die ochtend zich verschanst hadden tegen de oprukkende arbeidersmilities. Deze werden geholpen door enkele eenheden van de Guardias de Asalto. De arbeiderstroepen bestookten de soldaten zo hevig vanuit de straten die op het plein uitkwamen, dat deze tenslotte hun toevlucht zochten in enkele gebouwen die aan het plein gelegen waren. Een daarvan was de Telefooncentrale, die zij door een list in handen gekregen hadden. Dit gebouw wordt in de loop van de middag door een groep CNT-arbeiders stormenderhand genomen en aan het personeel overgedragen. De verbindingen worden onmiddellijk hersteld. De hele dag wordt nog op het plein gevochten dat met lijken van paarden en mensen bezaaid is. Pas als stukken veroverd geschut uit de havenwijk verschijnen geven de laatste opstandelingen zich over.
Al die tijd bevond generaal Goded zich in een hopeloze situatie in het gebouw van de Capitania. Om halftwee 's middags had hij om versterkingen van de Balearen gevraagd, waar de opstand in enkele uren geslaagd was. De tijd drong echter en Goded besloot om eerst artillerie uit Gerona en MatarÓ, ten noorden van Barcelona, te laten komen. Op dat moment waren telefoonverbindingen echter al onmogelijk door de verovering van de Telefooncentrale en een ordonnans slaagt er niet in de stad te verlaten. Als tegen halfzes de volksmilities de Capitania met geschut bestoken, geeft Goded zich over en wordt gevangen genomen.
Companys laat de gevangen generaal naar het paleis van de Generalidad brengen, waar een radiostation gevestigd is. Hij vraagt Goded om zijn troepen op te roepen de wapens neer te leggen en onnodig bloedvergieten verder te voorkomen. Hij herinnert de generaal aan zijn eigen houding twee jaar geleden, na de mislukte oktoberopstand, toen hij een zelfde oproep aan zijn aanhangers voor de radio had gedaan. Na lang aarzelen legt Goded de volgende verklaring af: "Het lot is mij ongunstig geweest en ik ben gevangen geraakt. Daarom verklaar ik dat, indien zij verder bloedvergieten willen vermijden, allen die aan mijn zijde stonden vrij zijn van hun verplichtingen." Deze verklaring, die een einde aan de opstand in Catalonië maakte, werd in heel Spanje ontvangen en veroorzaakte uiteraard een enorme geestdrift in het kamp van de antifascisten.
In Barcelona zelf betekende de verklaring van de generaal intussen nog niet het einde van de strijd. In verschillende kazernes bevonden zich nog detachementen soldaten die zich bleven verzetten en op hulp van buiten af rekenden. De ernstigste bedreiging vormden de soldaten van de Atarazanas-kazerne, dicht bij de haven aan enkele invalswegen en midden in een volkswijk gelegen. De kazerne werd pas de volgende middag om halféén door de anarchisten veroverd, na een urenlange belegering en na talloze mislukte bestormingen. Dit succes werd door de anarchistische milities alléén behaald. Zij waren er zozeer op gebrand om het fascisme de genadeslag te geven, dat zij weigerden de Guardias te laten deelnemen aan dit gevecht. Een van hun voormannen, Francisco Ascaso, sneuvelde bij de laatste bestorming. Zijn dood was voor zijn wapenbroeders het sein voor de definitieve aanval. Zij werden aangevoerd door Ascaso's levenslange vriend, de bekende anarchistenleider Durruti onder de kreet 'Adelantes! Los hombres de la CNT!', Voorwaarts! Mannen van de CNT! Durruti werd zelf bij deze aanval door twee kogels in schouder en arm getroffen.

DE SOCIALE REVOLUTIE

De strijd om Barcelona was in anderhalve dag volledig beslist. Het duidelijk dat de fascistische staatsgreep volledig mislukt was in Catalonië. Maar wie waren de overwinnaars? Aan wie behoorde in werkelijkheid de macht in Barcelona en geheel Catalonië? Ongetwijfeld komt de eer van de overwinning in de eerste plaats aan de anarchisten toe. Zij waren het beste voorbereid, kwamen het eerst in verzet, vochten het felst en offerden de meeste mannen in het gevecht. Daarnaast vochten vanaf het begin ook Esquerra-leden mee en vooral de leden van de kleine maar strijdbare POUM ('Partido Obrero de UnificaciÓn Marxista'), de revolutionairmarxistische arbeiderspartij. Veel minder reden tot trots was er voor de PSUC ('Partido Socialista Unificado de Cataluna'), de verenigde socialistische en communistische partijen in Catalonië die bij de Derde Internationale van Moskou was aangesloten. Slechts weinige van haar leden hadden aan het verzet deelgenomen. Waarschijnlijk speelde hierbij een rol het feit, dat zij grotendeels uit kantoorpersoneel en beambten gerekruteerd werden.
De anarchisten maakten gebruik van hun leidende positie, door alle wapens, die buit gemaakt werden in de kazernes, in beslag te nemen en voor de distributie zorg te dragen. Als exponenten van het verzet tegen het leger organiseerden zij overal in de wijken van Barcelona revolutionaire raden en comités, die op hun beurt gewapende patrouilles oprichtten en de voedselvoorziening in handen namen. Zij openden de gevangenissen, waar honderden van hun kameraden verbleven en lieten ook de criminele gevangenen vrij, die aan hun zijde wensten te vechten. Hiermee werd een gevaarlijk element in de strijd tegen het fascisme geïntroduceerd, hoewel men niet moet vergeten dat vele gevangenen uitsluitend wegens vergrijpen tegen het privé-eigendom veroordeeld waren en dus volgens anarchistische maatstaven moeilijk tot de misdadigers gerekend konden worden. Iets dergelijks gebeurde trouwens ook in de niet door anarchisten beheerste steden, zoals Madrid en Bilbao. In heel het revolutionaire Spanje werden de gevangenissen als gehate symbolen van het verleden met de grond gelijk gemaakt.
Reeds tijdens de straatgevechten op zondag was een aspect van de strijd tegen het fascisme aan de dag getreden, dat als specifiek Spaans en in een bepaalde historische context beoordeeld dient te worden: de kerkverbrandingen. Evenals tijdens de opstanden van de 19e eeuw en de Tragische Week in 1909 richtte de woede van het volk zich tegen de uiterlijke machtssymbolen van de Kerk, die zij niet geheel ten onrechte als handlangers van de reactie en het fascisme beschouwden. Kerken en kloosters werden bestormd en verwoest of in brand gestoken. De directe aanleiding was gelegen in het feit dat het leger zich bediende van de strategische positie van enkele kloosters en kerken. Minstens één geval is door nationalistische historici toegegeven. Voor de anarchistische arbeiders van Barcelona was het vanzelfsprekend dat de clerus de opstand van het leger steunde, dat de geestelijken partij waren en als combattanten behandeld moesten worden.
Hetzelfde proces van gelijkschakeling van combattanten en non-combattanten werd psychologisch veroorzaakt door het feit dat enkele honderden aanhangers van de Falange en andere rechtse groeperingen met de soldaten mee getrokken waren naar het centrum van de stad. Zij waren zwaarbewapend en speciaal uitgekozen om een belangrijke rol te spelen bij de onderwerping en bezetting van Barcelona. Men hoeft er niet aan te twijfelen dat deze rol geen andere geweest zou zijn, dan het fungeren als aanbrengers en executiepelotons van de linkse leidende personen, na de overwinning. De gebeurtenissen in de andere delen van Spanje zijn daarvoor voldoende aanduiding. Hun perfide gedrag is vooral de aanleiding geweest tot de veelbesproken 'rode terreur' in Barcelona. De arbeiders wisten dat hun tegenstanders in geval van een overwinning geen enkel pardon gegeven zouden hebben. De klassenstrijd was geen theoretisch begrip voor hen, maar levende werkelijkheid. In de eerste roes van de gevechten en de overwinning vereffenden zij een rekening met hun doodsvijanden.
Met enige voorzichtigheid kan men stellen dat het aantal slachtoffers aan de kant van de clerus, de rechtse en fascistische politici en de werkgevers in Catalonië rond de duizend gelegen zal hebben. Daarbij zijn echter ook diegenen gerekend, die na een proces veroordeeld zijn wegens medeplichtigheid aan de opstand. Het categorisch ontkennen van de rode terreur heeft uiteraard nooit zin gehad. Wel dient er de nadruk op gelegd te worden dat de terreur in het linkse Spanje in geen enkele verhouding staat tot de slachtpartijen (Badajoz!) die door de fascisten en het leger van de allerchristelijkste generaal Franco in het veroverde deel van dat land zijn aangericht. De verbazing zou zich eerder kunnen richten op het feit dat in een streek als Catalonië in een periode van burgeroorlog zovelen vrij hebben kunnen rondlopen en verraad plegen. De talloze verklaringen van Franco over het bestaan van 'vijfde colonnes' zijn in dit opzicht trouwens ook illustratief. Bovendien ontstond hierdoor een angstpsychose onder de tegenpartij die aan heel wat fascisten het leven gekost heeft.
Op 19 en 20 juli was de strijd zelf in bepaalde wijken van Barcelona duidelijk vermengd met klassenstrijdtrekken. Hier botsten de anarchisten en militietroepen op de burgerlijke aanhang van de fascisten en hier ontstond in feite ook de sociale revolutie. De bekende anarchiste en latere minister van de Spaanse Republiek, Frederica Montseny, verklaarde hierover: "Vooral in de buitenwijken, waar veel aristocraten en rechtsgezinden woonden en waar zich veel kloosters bevonden, begon de strijd duidelijke karakteristieken van de klassenstrijd te vertonen. Men concentreerde zich daar en er werden aanvallen ondernomen vanuit de kerken en de kloosters zodat het volk al zijn woede in een felle uitbarsting tegen hen richtte."
De nederlaag van het leger betekende impliciet een afrekening met alle fascistische en rechtse elementen. Gebouwen, paleizen en kloosters werden onteigend en overgenomen door arbeidersorganisaties en revolutionaire wijkraden. Zij werden ingericht als noodhospitalen, centrales, volkskeukens enz. Van een duidelijk plan was bij dit alles geen sprake, evenmin als bij de eliminatie van fascistische elementen. Het was een spontane actie, die weldra het aanzien van heel Barcelona veranderde. Op openbare gebouwen en kantoren verschenen de letters CNT, FAI, POUM, PSUC, UGT en UHP ten teken dat de arbeidersorganisaties deze gebouwen hadden overgenomen. De roodzwarte vlaggen van de anarchisten wapperden van alle belangrijke gebouwen van de stad en overal werden particuliere auto's gerekwireerd. De Nederlander Lou Lichtveld, die op de eerste dag na de strijd te voet vanaf de buitenwijken naar het centrum ging, deelt mee dat alle kloosters overgenomen waren en een sociale of humanitaire bestemming gekregen hadden. De villa's en paleizen daarentegen waren meestal verlaten. "Hoe verder wij echter in het centrum van de stad doordrongen, des te levendiger werden de straten. Op haast iedere hoek was er het een en ander in beslag genomen gebouw. Ze droegen ruwe opschriften met krijt: 'In beslag genomen door de CNT' of 'Onteigend door de regering ter inrichting van een school'. Dan weer: 'In beslag genomen door het Volksfront'. Maar het meest van al kwam het anarchistenteken voor 'CNT'. Steeds waren de in beslag genomen gebouwen kloosters of andere kerkelijke instellingen. Eerst later volgden de villa's en de paleizen."
Verwoesting en plundering kwamen zo goed als niet voor. Tot grote verbazing van vele leden van de bourgeoisie en buitenlanders bleken de anarchisten allerminst een stel rovers en moordenaars te zijn. Streng werd er door de wijkraden, de revolutionaire comités en de arbeidersorganisaties op toe gezien, dat niemand zich iets toeeigende waarop hij geen recht had. In hun eerste enthousiasme gingen enkele patrouilles er zelfs toe over om stapels bankpapier uit overgenomen gebouwen op straat te gooien en in brand te steken. Zo groot was hun afkeer van het kapitalisme en zozeer wensten zij een totale verandering van de bestaande maatschappij. Het enige niet-religieuze gebouw dat verwoest werd, was het gebouw van de Italiaanse scheepvaartmaatschappij, van waaruit tijdens de gevechten door scherpschutters op de arbeiders geschoten was. In feite was de 'orde' snel hersteld nadat de gevechten beëindigd waren. Voor een stad in revolutie bood Barcelona een verrassend rustig beeld. Ook de kerkverbrandingen waren van een andere aard dan vaak is voorgesteld. De journalist Borkenau schreef in zijn dagboek: "Op weg naar huis zag ik dat men een kerk in brand had gestoken en opnieuw was ik zeer verbaasd. Ik had gedacht dat het een demonische uitbarsting van de menigte zou zijn, maar het bleek een administratieve aangelegenheid. De kerk bevond zich op de hoek van de grote Plaza de Cataluna. Snel grepen de vlammen om zich heen. Een kleine groep mensen stond toe te kijken (het was rond 11 uur 's avonds). Men betreurde de brand allerminst, maar was ook niet erg uitgelaten. De brandweer was ter plekke om de vlammen zorgvuldig beperkt te houden tot de kerk, en de belendende percelen te beveiligen; niemand mocht dichtbij de brandende kerk komen - ter voorkoming van ongelukken - en de mensen hielden zich, met opmerkelijke volgzaamheid, aan deze bepaling."
Brandende kerken, onteigende gebouwen, roodzwarte vlaggen, gewapende arbeiders, dit alles was de revolutie. Militietroepen in hun overalls (het typische 'uniform' van deze revolutie) beheersten het straatbeeld. Wijkraden en revolutionaire comités, syndicaten en arbeidersorganisaties beheersten het leven. En boven alles: de anarchisten, de onbetwiste meesters van Barcelona en Catalonië.

HET 'COMITÉ DE MILICIAS ANTIFASCISTAS'

In de loop van de middag van 20 juli, nadat de laatste bolwerken van de opstandelingen gevallen waren, liet Companys de voormannen van de CNT en de FAI uitnodigen voor een onderhoud in het gebouw van de Generalidad. Tot de tanden gewapend, vuil van de gevechten, en nog treurend om de gesneuvelde Ascaso begeeft een kleine groep anarchistische voormannen zich naar zijn werkkamer. Companys komt hen geëmotioneerd tegemoet en omarmt hen. De hierop volgende bespreking besliste over de inhoud en de richting van de revolutie. Zij is dan ook belangrijk genoeg om hier zo volledig mogelijk vermeld te worden. De tekst van de toespraak van Companys is later door Juan Garçía Oliver, een van de aanwezige anarchistische voormannen, meegedeeld:
"Allereerst, zo begon Companys, moet ik u vertellen dat de CNT en de FAI nooit behandeld zijn zoals zij, gezien hun belangrijkheid, verdienden. U bent altijd en door iedereen streng vervolgd en ook ik was door politieke realiteiten gedwongen u tegen te werken en te vervolgen, hoewel ik vroeger aan uw zijde stond. Vandaag bent u echter de meesters van Barcelona en Catalonië, omdat u alleen de fascistische militairen verslagen hebt. Toch hoop ik dat u niet beledigd zult zijn, indien ik u er op dit ogenblik aan herinner dat u heeft kunnen rekenen op de hulp van een aantal loyale mannen van mijn partij en van de Guardias en de Mozo's." Companys dacht een ogenblik na en vervolgde toen langzaam: "Maar de waarheid is dat u, hoewel u tot eergisteren toe vervolgd bent, vandaag de militairen en de fascisten verslagen hebt. Omdat ik weet wie en wat u bent, kan ik niet anders dan met grote oprechtheid tot u spreken. U hebt gewonnen en alles is in uw macht. Indien u mij niet wenst of niet nodig heeft als president van Catalonië, zeg het mij dan nu en ik zal een soldaat extra worden in de strijd tegen het fascisme. Maar aan de andere kant, als u denkt dat ik op deze post, die ik niet verlaten zou hebben als levend man indien de fascisten hadden overwonnen, van enig nut zou kunnen zijn in de strijd tegen het fascisme tezamen met de mannen van mijn partij, met mijn naam en prestige ... dan kunt u rekenen op mij en mijn loyaliteit. Ik zeg dit als man en als politicus, omdat ik ervan overtuigd ben dat vandaag een heel verleden sterft van schaamte en omdat ik oprecht wens dat Catalonië aan het hoofd zal staan van de sociaal meest vooruitstrevende landen."
De woorden van Luis Companys lieten niet na indruk te maken op de anarchistische voormannen. Vooral het beroep op de oude vriendschap en de broederlijke strijd van Esquerra en CNT-FAI in de afgelopen dagen, overtuigde hen van de oprechtheid van Companys. Hun reactie was spontaan, aldus Ricardo Sanz, een van de andere aanwezigen: "Zonder dat wij, die de kommissie van afvaardiging vormden, ons van tevoren hierover beraden hadden, zeiden wij tegen Companys dat hij, als degene die het absolute vertrouwen van geheel Catalonië bezat, eveneens ons vertrouwen had en dat wij hoopten dat hij de functie van president van Catalonië zou blijven waarnemen."
Companys dankt de anarchisten voor dit vertrouwen en wijst op de noodzaak van voortzetting van de strijd tegen het fascistische gevaar. In het aangrenzende AragÓn is de opstand geslaagd en van die kant zou wel eens spoedig gevaar kunnen dreigen. Hij stelt voor om op korte termijn een colonne van arbeidersmilities te vormen om AragÓn te bevrijden. Dit plan was de anarchisten welkom en gezamenlijk wordt tot de organisatie van deze strijdmacht besloten. Hiervoor was het nodig, volgens Companys, om alle antifascistische krachten in Catalonië te bundelen. Alleen gezamenlijk zal men de vijand kunnen verslaan. Zijn voorstel aan de anarchisten is daarom: een comité samen te stellen uit afgevaardigden van alle revolutionaire en antifascistische partijen, dat de leiding van de oorlog en de revolutie zal hebben. Garçía Oliver deelt echter mee dat de aanwezige anarchisten daarover niet kunnen beslissen, maar alleen hun organisaties. Zij beloven echter het voorstel van Companys te zullen ondersteunen.
Nog diezelfde avond, 20 juli, wordt in Barcelona een vergadering van het Regionale Comité van de CNT gehouden. De afgevaardigden delen de voorstellen van Companys mee en vragen om een snelle beslissing.
Het dilemma waarvoor het Regionale Comité zich gesteld zag, was buitengewoon zwaar. Aan de ene kant bestond de wens de macht, die men veroverd had, te consolideren en onmiddellijk over te gaan tot de invoering van het anarchocommunisme in Catalonië nu daarvoor de tijd eindelijk rijp scheen. Aan de andere kant het zwaarwegende argument van de komende oorlog tegen het fascisme, dat een groot deel van Spanje veroverd had. In deze strijd zouden de burgerlijke antifascistische partijen van grote waarde kunnen blijken als bondgenoten. Kortom, zoals Juan Garçía Oliver het samenvatte: "Of het anarchocommunisme, wat de anarchistische dictatuur betekent, Óf de democratie, wat voor ons collaboratie betekent." Het zitting nemen in een bestuursorgaan, zij het een revolutionair bestuursorgaan, betekende immers voor de anarchisten de verloochening van een van de meest essentiële punten van hun theorieën.
Toch besluit het Regionale Comité van de CNT op 20 juli 1936 om het voorstel van Luis Companys te aanvaarden en zitting te nemen in het revolutionaire comité van alle antifascistische partijen. Dit wordt de volgende dag ingesteld onder de naam "Comité de Milicias Antifascistas", Comité van antifascistische milities. Het had tot taak de militaire expeditie naar AragÓn uit te rusten en de revolutionaire orde in Catalonië te waarborgen. Het Comité telde aanvankelijk 14 leden, waaronder 3 voor de CNT, 2 voor de FAI, 3 voor de UGT, 3 voor de Esquerra, en 1 voor de POUM.
De anarchisten hadden in dit orgaan volledig de overhand. Hun alles overheersende positie wat betreft aanhang en bewapening maakte hen tot de spil van het Comité. De organisatie van de arbeidersmilities, de voorbereiding van de expeditie naar AragÓn en de instelling van gewapende patrouilles in Barcelona waren geheel in hun handen. Ongetwijfeld had het Regionale Comité deze sterke positie van de anarchisten voorzien. Het besluit stuitte bij de leidende militanten van de CNT en de FAI dan ook op bijzonder weinig verzet. Minder begrijpelijk was echter een tweede besluit, dat op dezelfde vergadering van 20 juli 's avonds genomen werd. De Generalidad, de Catalaanse autonome regering, zou blijven bestaan naast het Comité de Milicias en zij zou daarin zelfs een vertegenwoordiger mogen benoemen.
Volgens verklaringen van Frederica Montseny gebeurde dit omdat ÓÓk de anarchisten op dat ogenblik een façade van rechtmatigheid en burgerlijke betrouwbaarheid wilden opbouwen, om buitenlandse hulp niet af te stoten. Het besluit betekende echter dat er in Catalonië twee bestuursvormen ontstonden, een revolutionair en een burgerlijk gezag, en dat vroeg of laat een van beide het veld zou moeten ruimen.
Deze twee uitermate belangrijke beslissingen zijn op 20 juli genomen door het Regionale Comité van de CNT in Catalonië, de top van de anarchistische organisaties. Echter, zonder dat de leden hierover geraadpleegd werden. Ondanks verzekeringen van anarchistische zijde dat er op dit punt zo goed als geen oppositie bestond, blijft deze gang van zaken voor een anarchistische beweging een bevreemdende zaak. Bovendien doet zich het merkwaardige geval voor dat de anarchistische pers en publicaties unaniem zwijgen over deze toch zo belangrijke vergadering van het Regionale Comité. Beide beslissingen zijn later onderwerpen van heftige kritiek aan het adres van de Catalaanse anarchisten geweest. De deelname aan het Comité de Milicias zou verraad aan de revolutie betekend hebben, en lafheid toen het op handelen aankwam. Het is niet te ontkennen dat de leiding en de top van de anarchistische organisaties in Catalonië minder revolutionair en radicaal geweest is dan haar aanhang. De arbeiders hielden veel minder rekening met de algemene politieke situatie en wensten in Catalonië de sociale revolutie volledig door te voeren. Deze tweespalt zal ook in het volgende hoofdstuk duidelijk naar voren komen. Maar van lafheid is de leidende groep anarchistische militanten zeker niet te beschuldigen. Naast Ascaso waren talrijke bekende anarchistische voormannen in de straatgevechten van 19 en 20 juli gesneuveld of gewond.
Het is echter een onomstotelijk feit, dat het anarchisme nooit dichter bij de verwezenlijking van haar ideeën is geweest dan op 20 juli 1936. De anarchistische organisaties hadden de macht volledig en onbetwist in handen. De staat was als het ware weggevaagd. Volgens de uitspraak van een bekende advocaat in Barcelona was op 20 juli alleen 'het stof van de staat' nog overgebleven. Aan de andere kant moet men echter bedenken dat het doorvoeren van de anarchistische revolutie zeker een belemmering betekend zou hebben voor de voortzetting van de strijd tegen het fascisme. De oprichting van het Comité de Milicias betekende immers een brede basis voor deze oorlog. Het maakte een snelle en efficiënte organisatie mogelijk. De beslissing om deel te nemen aan het Comité de Milicias en om samen te werken met alle antifascistische krachten is onder dat gezichtspunt meer dan begrijpelijk.
De tweede beslissing, het laten voortbestaan van de Generalidad en al haar ambtelijke en politieke instellingen is echter onbegrijpelijk en onnodig geweest. Op het ogenblik van de beslissing zelf was het Comité de Milicias ongetwijfeld 'de ware en enige macht, de absolute revolutionaire kracht' van Catalonië. Waarschijnlijk hoopten de anarchisten dat het revolutionaire orgaan zo'n kracht zou ontwikkelen, dat het de burgerlijke instellingen als het ware geheel zou overvleugelen en vernietigen. Dat dit uiteindelijk een misrekening zou blijken, en dat de Generalidad in een langdurige en taaie strijd niet alleen haar oude rechten zou heroveren, maar tegelijkertijd ook de revolutie en haar organen zou ontkrachten, was op dat moment allerminst te voorzien.
Schrijvende over deze periode concludeert Lichtveld dat de anarchisten bij de strijd tegen het leger "de morele leiding (bezaten) en die ook wekenlang behielden. Doch zij lieten heel principieel de regering in handen van andere partijen, hetgeen hun duur te staan is gekomen. Over het algemeen zijn zij de slachtoffers geworden van hun edele, idealistische principes, die terecht leren dat alle politiek bevuilt... "

HET REVOLUTIONAIRE BARCELONA

Barcelona was van de ene dag op de andere volledig herschapen. Het straatbeeld werd beheerst door gewapende arbeiders, barricades in alle belangrijke straten en pleinen, onteigende gebouwen en huizen en overal roodzwarte vlaggen en namen van revolutionaire partijen. De wijkraden in de verschillende delen van de stad namen de zorg voor de voedselvoorziening op zich. Voorraden levensmiddelen werden onteigend en overal werden volkskeukens ingericht, waar aan de militiesoldaten en hun families en aan ieder die het nodig had voedsel verschaft werd.
Wachtpatrouilles, samengesteld uit alle antifascistische partijen, beveiligden de stad tegen plunderaars en criminele elementen. Door de CNT en de FAI werden plundering of moord met de kogel bestraft. Voor de rechtsspraak over politieke misdaden werden de Volkstribunalen opgericht.
Onder enorm enthousiasme vertrokken op 24 juli de eerste colonnes van de arbeidersmilities naar AragÓn. Meer dan 20.000 man, waaronder 14.000 anarchisten van de CNT en de FAI waren in twee dagen tijd bewapend en bevoorraad. Zij vertrokken in onteigende vrachtwagens en autobussen naar de grens van AragÓn. De leiding van deze expeditie was in handen van Buenaventura Durruti en Perez Farras, een populaire majoor die in 1934 de leiding van de mislukte opstand had gehad. Het plan was om via AragÓn een doorbraak te forceren naar Asturië en de economisch belangrijke industriegebieden van Noordwest Spanje. Op die manier zouden de fascisten in het Noorden en het centrum van Spanje van elkaar gescheiden worden en zou de opmars naar Madrid, die later inderdaad plaats vond, onmogelijk zijn gemaakt. De voorbereiding van deze grote militairrevolutionaire onderneming was in handen van de ons bekende anarchistische theoreticus Diego Abad de Santillán. Deze had een belangrijke rol tijdens de straatgevechten gespeeld en zat als afgevaardigde van de FAI in het Comité de Milicias.
Op 22 juli verschijnen de eerste kranten weer, zij het dan dat alle vroegere rechtse kranten een geheel revolutionaire inhoud hebben gekregen. Door de CNT en de FAI wordt een informatiebulletin opgezet, dat van nu af aan het verloop van de revolutie zal begeleiden en dat voor elke belangstellende een van de meest waardevolle bronnen voor de geschiedenis van de Spaanse burgeroorlog is. Merkwaardigerwijs werd het eerste nummer (van 22 juli 1936) samengesteld door de bekende historicus van het anarchisme, Max Nettlau. Deze verbleef toevallig in Barcelona bij vrienden, toen de opstand van het leger plaatsvond.
Langzamerhand begint het dagelijkse leven weer op gang te komen. Winkels worden weer geopend en terrasjes weer bezet. Maar in plaats van de burgerij is het de arbeidersklasse die de straten en pleinen bevolkt. Overal ziet men de klederdracht van de revolutie: de overall met de rode halsdoek. Barcelona was een stad in revolutie, en waarschijnlijk was zij het toneel van de meest authentieke arbeidersrevolutie die de twintigste eeuw gekend heeft. Op allen die de stad in deze tijd bezochten, maakte zij een diepe indruk. Iedereen zag er datgene, wat hij gehoopt had eens te zullen zien als de revolutie werkelijkheid was geworden. De linkse journalist Borkenau (géén anarchist), die de stad anderhalve week na de gevechten bezocht, schrijft:
"... En dan, toen we de hoek van de Ramblas (de belangrijkste verkeersader van Barcelona) omgingen, volgde een geweldige verrassing: in een flits ontvouwde zich voor onze ogen de revolutie. Het was overdonderend. Het was alsof we op een werelddeel geland waren, dat verschilde van alles wat ik tot dan toe gezien had. De eerste indruk: gewapende arbeiders, geweer over de schouder, maar gekleed in burger. (...) Wapens, wapens en nog eens wapens. Slechts enkele van deze gewapende proletariërs droegen het nieuwe donkerblauwe en fraaie militie-uniform. Ze zaten op de banken of liepen over de trottoirs van de Ramblas, met hun geweer over de rechterschouder en vaak hun meisje aan de linkerarm. (...) Het feit dat al deze gewapende mannen rondliepen, marcheerden en reden in hun gewone kleren, maakte het geheel slechts indrukwekkender: een demonstratie van macht van de fabrieksarbeiders. De anarchisten, herkenbaar aan hun roodzwarte insignes, waren verreweg in de meerderheid. En nergens een spoor van 'bourgeoisie'. Slechts arbeidersmannen en -vrouwen; zelfs geen hoeden!
De Ramblas is niet minder kleurrijk dan vroeger; er is immers de oneindige afwisseling van blauw, rood, zwart, van de partijemblemen, de halsdoeken, de fleurige uniformen van de militie."
Ongeveer tezelfdertijd (begin augustus 1936) bevond John Langdon-Davies zich in Barcelona en zijn indrukken waren geheel anders. In zijn boek 'Behind the Spanish barricades', een van de eerste werkelijk informatieve boeken over de Spaanse burgeroorlog, vertelt hij: "Ik zal mijn aankomst in Barcelona, begin augustus 1936, niet licht vergeten. (...) Korte tijd was ik totaal uitgeput. Ik had mijn eerste ervaring opgedaan van anarchosyndicalisme in de praktijk. Barcelona had namelijk stoplichten en verkeersagenten afgeschaft; voor zover men kon zien was het iedereen gelukt een auto te vorderen en tegelijkertijd bezig te leren rijden en records te breken. In een stad in volle revolutie lijkt het alsof iedereen ergens anders heen moet in zo weinig mogelijk seconden. Elke jongeman in Barcelona had zich een auto, een overalluniform en een of ander wapen weten te verschaffen, en zolang er nog benzine was, maakte iedereen zo goed mogelijk gebruik van deze unieke kans."
In zijn boek 'Ceux de Barcelone' beschrijft de Franse journalist H.E. Kaminski de eerste indruk die de revolutie op hem maakte. Boven alles uit het enorme lawaai dat de stad voortbracht: "Op het eerste gezicht is Barcelona niet veranderd. Drukke straten, volle winkels, de cafés tot op de laatste plaats bezet, 's Avonds is de stad schitterend verlicht, alle straatlantaarns branden, lichtreclames stralen in vele kleuren en de menigte is nog groter dan overdag. Wat van de ochtend tot de avond voortduurt en tijdens de nacht nauwelijks afneemt is het lawaai: een indringend, overweldigend lawaai dat iemand volledig verdooft, ook degene die aan het zuidelijk rumoer gewend is. Onafgebroken toeteren de auto's en hun geraas valt samen met dat van de trams, iedereen lijkt te schreeuwen en reusachtige luidsprekers braken zonder onderbreking woorden en muziek uit."
Een vierde ooggetuige die we hier aan het woord laten, is George Orwell, de bekende Engelse schrijver die als verslaggever naar Barcelona kwam, maar zich aansloot bij de arbeidersmilities om aan het front van AragÓn te vechten tegen het fascisme. Zijn merkwaardige boek 'Homage to Catalonia' houdt het midden tussen een politiek pamflet en een autobiografie. Barcelona betekende voor Orwell een eerste kennismaking met het anarchisme, waardoor hij later in sterke mate beïnvloed zou worden. Over Barcelona schrijft hij:
"... voor wie zo uit Engeland kwam was de aanblik van Barcelona verrassend en overweldigend. Voor het eerst van mijn leven was ik in een stad waar de arbeidersklasse in het zadel zat. Praktisch elk gebouw van enig formaat was in beslag genomen door de arbeiders en versierd met rode vlaggen of de roodzwarte vlag van de anarchisten; op elke muur waren hamer en sikkel en de afkortingen van de revolutionaire partijen gekalkt; in bijna elke kerk waren de heiligenbeelden verbrand en was de rest weggehaald. Hier en daar werden kerken systematisch afgebroken door ploegen arbeiders. Elke winkel en elk café had een bordje waarop stond dat de zaak gecollectiviseerd was; zelfs de schoenpoetsers waren gecollectiviseerd en hun kistjes waren roodzwart geschilderd. Kelners en winkelbedienden keken je recht in de ogen en behandelden je als een gelijke. Onderdanige en zelfs formeelbeleefde uitdrukkingen waren tijdelijk verdwenen. Niemand zei 'Señor' of 'Don' of zelfs 'Usted'; iedereen sprak iedereen met 'kameraad' en 'jij' aan, en zei 'Salud!' in plaats van 'Buenos dias'. Fooien waren bij de wet verboden; bijna het eerste wat ik meemaakte was een preek van een gerant in een hotel, omdat ik geprobeerd had de liftjongen een fooi te geven. Particuliere auto's waren er niet, die waren allemaal gevorderd, en alle trams en taxi's en veel andere vervoermiddelen waren roodzwart geverfd. Overal vlamden de revolutionaire affiches aan de muren in heldere rode en blauwe tinten, waar de enkele reclameaffiches die nog over waren als modderspatten bij afstaken.
Op de Ramblas, de brede hoofdverkeersader van de stad, waar voortdurend massa's mensen heen en weer stroomden, brulden luidsprekers de hele dag en tot laat in de avond revolutionaire liederen.
En het vreemdste van alles was de aanblik van de massa's. Behalve een klein aantal vrouwen en buitenlanders waren er in het geheel geen 'goedgeklede' mensen. Praktisch iedereen droeg grove arbeiderskleren, of een blauwe overall, of een variant van het militie-uniform. Dit alles was vreemd en ontroerend. Veel ervan begreep ik niet, in sommige opzichten vond ik het zelfs onprettig, maar ik erkende het onmiddellijk als een stand van zaken, waarvoor het waard was te vechten."
De indruk die Barcelona maakte was groot. Maar uit alle vier de ooggetuigeverslagen spreekt toch duidelijk de verwondering, of liever gezegd de bevreemding over wat er gebeurde. Een stad in revolutie, een stad in handen van de arbeidersklasse, maar wat waren de achtergronden? Er heerste opwinding in de straten van Barcelona, maar ook angst en dreiging. Overal verzamelden mannen en vrouwen zich voor de luidsprekers die het nieuws van het front gaven. Grote kaarten waren in de vitrines van de kranten aangeplakt en iedere militieman werd omringd door een groep vragenstellers. Politieke organisaties en arbeiderssyndicaten hielden grote demonstraties met muziek en zeeën van rode en zwarte vlaggen. Soms werd er alarm geslagen en veranderde het straatbeeld op slag. In een oogwenk waren straten en pleinen leeg en stoven vrachtwagens vol zwaarbewapende anarchisten door de straten. De barricades die tijdens de gevechten gebouwd waren werden slechts geleidelijk aan afgebroken. De uitvalswegen van Barcelona bleven tot begin september door de arbeidersmilities bewaakt. Voor allen die Barcelona bezochten was deze stad het levende symbool van de sociale revolutie in Spanje. Ook al probeerden communisten en burgerlijke groeperingen tot in het absurde het bestaan van de sociale revolutie te verloochenen , er was altijd nog Barcelona, de levende getuigenis van de revolutie en de macht van de arbeiders. Barcelona was de revolutie en er heerste een gevoel van solidariteit en gelijkheid als in geen andere revolutie vÓÓr haar. De achtergrond van dit alles was het speciale aspect van de revolutie in Barcelona en Catalonië. Een aspect dat het belang van de gebeurtenissen in deze oosthoek van Spanje deed uitstijgen boven het belang van de burgeroorlog alleen. Barcelona was het toneel van de eerste en enige werkelijke anarchistische revolutie. Een revolutie waarbij de macht in de handen van het volk lag, waarbij geen dictatuur van enige groep of partij bestond, waarbij geen uitgeslapen partijbonzen en politici aan de touwtjes trokken, maar waar de arbeiders hun eigen weg trachtten te gaan. Dit werd voor het eerst en in al zijn consequenties duidelijk in de manier waarop de Catalaanse arbeiders de leiding van de economie overnamen en de fabrieken en bedrijven onder hun eigen toezicht in werking stelden.

> terug naar uitgave