Inleiding


Autobiografieën en herinneringen zijn documenten die met beleid moeten worden gelezen en gebruikt. Vervelende herinneringen, pijnlijke voorvallen, zwakke momenten blijven maar al te vaak onvermeld of ze worden verdraaid weerge-geven en soms zelfs gebruikt om anderen zwart te maken. De auteur kan verder besluiten dat het grote publiek
met bepaalde zaken niets te maken heeft en zodoende maar een gedeelte
van het verhaal presenteren. Niet zelden komt het zelfbeeld van de auteur
niet overeen met het beeld dat anderen van hem of haar hebben.
Dat kan dan weer tot misverstanden in het verleden leiden en navenante
scheve voorstellingen in de memoires. Dan worden memoires nog
meer getuigenissen van slechts de waarheid van de auteur. Daarnaast is
het welhaast onvermijdelijk dat de persoon van de auteur in het middelpunt
wordt gezet, zodat het uiteindelijke relaas een egocentrisch karakter
krijgt. Hoewel Domela Nieuwenhuis schrijft niet het middelpunt in
zijn verhaal te hebben willen zijn (27), toch is hij het geworden.
Autobiografie?
Zijn gedenkschriften zijn niet gemakkelijk in een bepaald vakje te stoppen.
Ze bevatten niet simpel herinneringen. Domela Nieuwenhuis heeft
wel degelijk autobiografische passages in de tekst opgenomen. De laatste
hoofdstukken vormen daarenboven een geloofsbelijdenis van en pleidooi
voor het anarchisme, de ideeënwereld waarop de auteur naar eigen zeggen
wel moest uitkomen. Al bevatten ze autobiografische fragmenten,
de gedenkschriften vormen geen autobiografie. Teveel zaken zijn privé
1 Ik bedank Rudolf de Jong voor zijn waardevolle opmerkingen bij een eerdere versie
van deze inleiding.
12 13
gebleven en daardoor zijn bepaalde gebeurtenissen niet volledig behandeld.
Zodoende bevat Domela Nieuwenhuis’ boek een aantal halve waarheden.
Dat telt temeer omdat de auteur op de een of andere manier ook
een geschiedenis van het socialisme in Nederland heeft willen geven. Niet
ten onrechte achtte hij die geschiedenis zozeer verbonden met zijn persoon,
dat beide niet gescheiden behandeld kunnen worden.(p 27)
Doorgaans wordt de ontwikkeling van Domela Nieuwenhuis in een
aantal afzonderlijke fasen opgedeeld. Eerst was hij (radikaal-)liberaal,
waarbij hij op godsdienstig vlak van orthodox naar vrijzinnig lutheraan
evolueerde om in de tweede helft van de jaren 1870 agnost dan wel atheïst
te worden. In die tweede helft van de jaren 1870 begint ook zijn socialistische,
preciezer: sociaal-democratische, periode, die eindigt in 1891,
1896 of 1897. Daarna begint zijn anarchistische tijd, een periode waarin
hij voor socialistische tegenstrevers en in hun kielzog sommige historici
dood was “voordat hij stierf”.(594) De periodisering zelf houdt Domela
Nieuwenhuis ook aan, maar bij hem lijkt het daarbij meer te gaan om
organisatorische binding (kerk, Sociaal-Democratische Bond, Sociaal-
Democratische Internationale) dan om zijn ideeënwereld. Daarin ziet
hij continuïteit en een harmonische ontwikkeling van het lagere naar
het hogere, waarbij het anarchisme het hoogste stadium is.(p 28-29) Hoewel
hij zichzelf een tijdlang marxist noemde en het marxistisch socialisme
aanhing, lijkt hij tegelijkertijd geïntrigeerd te zijn geweest door het
anarchisme en ook wel ertoe aangetrokken. Naar zijn eigen idee kwam
dit doordat in het protestantisme al een anarchistische kern zit, want
het legt de nadruk op het individuele geweten en oordelen van de mens.
In wezen wees het protestantisme uiterlijk gezag af (behalve dat van een
persoonlijk ervaren God) en daarom was voor hem zijn Beverwijkse intreepreek
van 1871 al uiting van een anarchistische instelling.(p 59)
Vrijheid van het individu was op dat moment de grondtoon van zijn
politieke denken was, maar bleef dat toen hij in de socialistische beweging
actief was. Hij was diepgaand beïnvloed door de Engelse filosoof
John Stuart Mill, wiens beroemde traktaat over vrijheid hij in de jaren
1860 verslonden had. Die invloed moet ook de oorzaak zijn van zijn
vroege interesse voor het anarchisme, maar dat is niet hetzelfde als sympathie
gevoelen voor het anarchisme.2 (120). Het zegt in dit verband wel
iets dat Domela Nieuwenhuis in zijn gevangenistijd (januari tot augustus
1887) onder andere een deel van Élisée Reclus Nouvelle Géographie
Universelle heeft vertaald.3 In Recht voor Allen van 22 en 23 september
1889 zal hij vervolgens bij een vertaling van een opstel van Reclus ‘Waarom
zijn wij anarchisten’ zelfs opmerken: “Verander het woord anarchist
in dat van socialist en wij kunnen het [opstel] overnemen”. Hij begint
anarchistische periodieken als de Vrije Pers en Anarchist te steunen. Domela
Nieuwenhuis zelf zegt dat hij in deze en de volgende jaren vooral
in de richting van het anarchisme werd gedreven door de ontwikkelingen
in de Duitse sociaal-democratische partij.(332) Het is waar, maar dat
geldt voor meer socialistische en anarchistische tijdgenoten, bij Domela
Nieuwenhuis speelde ook de oude scholing in het lutheranisme en het
denken van John Stuart Mill een rol. Omdat hij met de ratio te werk
ging en naar zijn mening de rede altijd universele waarheden opleverde,
ging hij ervan uit dat anderen hem wel zouden volgen als ze niet direct
met hem meegingen. Daarin vergiste hij zich en daarom doet hij
in zijn gedenkschriften nog eens goed uitkomen hoever het anarchisme
boven de sociaal-democratie uitsteekt.(bijv. 540 e.v.) Dat blijkt uit de
waarde die het hecht aan de vrijheid van het individu, aan ideologische
en politieke zuiverheid, het afwijzen van deelname aan parlementen
en gemeenteraden (die corrumperend werken) en in de strijd niet enkel
tegen kapitalisme maar tegen elk uiterlijk gezag. Dat laatste leidt ertoe
dat Domela Nieuwenhuis heel opmerkelijk in deze gedenkschriften
reeds bedenkingen uit over een mogelijke communistische dictatuur,
“die zorg draagt dat aan de behoeften der maag wordt voldaan, maar dat
daardoor nog allerminst de vrijheid aller deel is”.(460) Zijn latere zeer
2 Zie bijvoorbeeld het zeer reformistische: F. Domela Nieuwenhuis, ‘Réforme et Révolution’,
Revue Socialiste, Organe Bi-Mensuel de la Science Sociale 10 (20/7/1880) 432-439
3 Een stuk uit deel I over Europa.
14 15
snelle veroordeling van de bolsjewistische revolutie in 1917 kwam dus
bepaald niet uit de lucht vallen.4
De gevolgen van een verzwegen privéleven
Als gezegd Domela Nieuwenhuis liep met zijn privéleven en gevoelens
zeker niet te koop, dat paste een beschaafd burger ook niet. Hij lijkt die
gevoelens ook voor zichzelf weggedrukt te hebben: “Mijn slotsom van
het leven is dat in den arbeid alles te vinden is wat een mensch behoeft
tot troost, zelfs in de treurigste omstandigheden des levens.”(p 29) Op
10-jarige leeftijd verloor hij zijn moeder en wat dat voor hem betekende,
moeten we raden uit hetgeen hij schrijft over zijn vader en stiefmoeder.
(p 29, 38) Slechts een paar maal klinken gevoelens duidelijker door in
de tekst: de dood van zijn eerste vrouw, Johanna Lulofs,(p 60, 61) en die
van zijn dochtertje Annie.(474-5) De dood van zijn tweede echtgenote
lijkt minder hard te zijn aangekomen dan die van de derde, maar zijn
verslagenheid over het verlies van Johanna Lulofs kan hij 34 jaar later
nog niet beschrijven. De treurige dood van zijn tweede dochter Louise
(in 1902) wordt amper gemeld.(573)5
Het is iemands goed recht om in memoires te zwijgen over persoonlijke
aangelegenheden, maar soms is een vertekend beeld het gevolg ervan.
Een voorbeeld is de wijze waarop Domela Nieuwenhuis en zijn medewerker
Croll in 1889-1890 uit elkaar zijn gegaan. In de gedenkschriften
wijst Domela uitsluitend op volgens hem niet bestaande politieke meningsverschillen,
die door Croll zijn opgeworpen. Dat de verhouding
tussen Cato Vernée-Schuitemaker, met wie Domela Nieuwenhuis een
4 Bert Altena, ‘“No man and no penny”: F. Domela Nieuwenhuis, anti-militarism and
the opportunities of World War I’ in: Ruth Kinna & Matthew S. Adams (ed.), Anarchism
1914-1918: Internationalism, Militarism and War (Manchester: Manchester University
Press 2016)
5 Maar in de tijd zelf heeft hij er wel over geschreven: F. Domela Nieuwenhuis, ‘De
kuur van pastor Felke te Repelen’, Vegetarische Bode II/1902, 587-589.
nog steeds niet geheel opgehelderde relatie had, en Croll in deze kwestie
een zeer belangrijke rol speelde, wordt nergens ook maar aangestipt.
De verwondering van Domela Nieuwenhuis moet in die tijd dan ook
minder groot zijn geweest dan hij het in deze gedenkschriften doet voorkomen.
Het is overigens interessant dat Domela Nieuwenhuis in het algemeen
het ontsporen van vriendschappen, zoals die met Croll en later
die met Henri van Kol, steeds wijt aan beïnvloeding door derden. Aan
hem heeft het nooit gelegen dat vrienden vijanden werden. In het geval
van Croll en Van Kol kon hij dit alleen maar volhouden door te wijzen
op karaktertrekken bij de ander en door het conflict te presenteren als
uitsluitend politiek van aard. (p 158 en p 160)6
Waarheid en partijdigheid
Deze gedenkschriften vertellen soms dus halve waarheden doordat privézaken
buiten het bestek zijn gelaten, maar bevatten ze ook pertinente
onwaarheden? De auteur zelf betuigt altijd gedreven te zijn geweest door
verlangen naar waarheid.(p 27, 28) In de gedenkschriften geeft hij toe dat
hij er niet aan kon ontkomen alles door een eigen bril te zien.(532) Dat
wil echter lang niet altijd zeggen dat hij ervaringen nu anders weergeeft.
Wat hij schrijft over zijn internationale relaties komt overeen met de
manier waarop hij deze beleefd heeft. Al met al staat hij meer in het
middelpunt van zijn verhaal dan hij zegt te hebben gewild. (p 29)
6 Over de relatie tussen Domela Nieuwenhuis en Cato Vernée-Schuitemaker en over
haar rol in de affaire-Croll: Jan Willem Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een
romantische revolutionair (Antwerpen/Amsterdam 2012) 135-139, 201-202 en andere
plaatsen. Overigens berust Stutje’s suggestie dat Domela Nieuwenhuis Cato had
zwanger gemaakt en zo snel mogelijk een abortus wilde op verkeerd lezen van een
brief van Domela aan de Brusselse arts César de Paepe. In die brief is sprake van twee
andere mensen.
16 17
Een belangrijk thema in het boek is de superioriteit van het anarchisme
ten opzichte van de sociaaldemocratie. Hier beziet Domela
Nieuwenhuis de wereld vooral door zijn eigen bril. Het anarchisme
vertegenwoordigt in zijn relaas het zuivere socialisme en de sociaaldemocratie
de corrumpering van het socialisme. Niet alleen leidt zijns inziens
sociaaldemocratie namelijk tot staatssocialisme en tot een nieuw
soort onderdrukking van het individu, de sociaal-democraten zelf zijn
ook allesbehalve zuiver op de graat. In zijn gedenkschriften is Domela
Nieuwenhuis zeer negatief over de Nederlandse Sociaal-Democratische
ArbeidersPartij of over de leiders van die organisatie: P.J. Troelstra,
W.H. Vliegen, Van Kol, F. van der Goes. Het zijn de ‘heeren’ die met
hun Studenten Dominees en Advocaten Partij proberen de werkelijke
arbeidersbeweging van haar revolutionaire doel af te leiden. Dat Domela
Nieuwenhuis en zijn naaste medewerkers van burgerlijke afkomst
in 1885 met dezelfde kritiek waren geconfronteerd door de arbeider Van
Raay, wordt afgedaan als een listige truc van deze timmerman om arbeiders
op te zetten tegen deze ‘heeren’.(p 165) Dat die kritiek toen breder
gedragen werd en leidde tot de anarchistische beweging in Nederland
laat Domela onvermeld.7
De gedenkschriften zijn dus zeker niet onpartijdig en het is dan ook
niet vreemd dat in de niet-bevriende pers het boek met de nodige kritiek
ontvangen werd. Het Algemeen Handelsblad merkte onjuistheden
en een aantal onbehoorlijke passages op. Afgezien daarvan vond het het
boek nogal erg rooskleurig maar het las ook allerlei interessante nieuwtjes.
8 Het sociaal-democratische dagblad Het Volk wachtte twee maanden
met een bespreking en bracht deze toen onder de kop ‘Een mislukt boek’.
Deze gedenkschriften waren een ordinair strijdschrift tegen de SDAP
geworden. Het is de vraag of de recensent het hele boek gelezen heeft,
7 Zie voor dit: W.H. Vliegen, De dageraad der volksbevrijding (Amsterdam 19212)
463466; D.J. Wansink, Het socialisme op de tweesprong. De geboorte van de S.D.A.P.
(Haarlem 1939) 41-44; Stutje, 112-113. Piet Honig, Herinneringen van een Rotterdams
revolutionair, bezorgd door Bert Altena (Utrecht 2005).
8 Algemeen Handelsblad, 24 en 26/11/1910.
want dat lijkt een hele kwelling te zijn geweest: “Van een man van zóó
benepen opvattingen is geen betrouwbare geschiedenis te wachten, en
als geschiedkundige bron raden wij ‘s Heeren Domela’s gedenkschriften
ernstig af’.”9 Partijdigheid is inderdaad niet de beste methode om
in de huid van de ander te kruipen, een geschiedschrijver moet openheid
voor alle personen in het verleden betrachten, maar een schrijver
van memoires is niet gebonden aan die eis. Niettemin geven de gedenkschriften
in grote lijnen de visie van Domela Nieuwenhuis uit de tijd
zelf weer en tonen ze dus zijn waarheid. In grote lijnen: soms is het beeld
dat hij schetst inderdaad rooskleurig. Zo verdedigt hij zich tegen de aanval
van J. Saks in het marxistische blad De Nieuwe Tijd dat hij in zijn
popularisering van Das Kapital geen snars van Marx’ economisch stelsel
heeft begrepen, door bijval van Marx zelf aan te halen.(p 116, 117) De
aantijging van zijn voormalige uitgever W. de Graaff, dat die popularisering
voor een deel is overgeschreven uit andermans werk wordt echter
verzwegen.10
Zoals het Handelsblad schreef, bevatten de gedenkschriften ook gegevens
die elders niet te vinden zijn, zoals bijvoorbeeld over Recht voor
Allen. (p 98 ev) Domela Nieuwenhuis geeft bovendien allerlei inkijkjes
in zaken die te weinig aandacht krijgen in de geschiedschrijving van de
arbeidersbeweging. De belangrijkste zaak is wel de rol van het geld. In
twee gevallen deelt Domela mee dat hij financieel niet tegen concurrerende
heren op kon. Vroeg in zijn socialistische carrière moest hij ervaren
dat de financiële steun van Arnold Kerdijk en andere heren het
blad De Werkmansbode in liberaal vaarwater hield. Later, toen de parlementaristische
oppositie in de Sociaal-Democratische Bond uitliep
op de oprichting van de SDAP, kon hij niet opboksen tegen de centen
9 Het Volk, 29/1/1911.
10 Hiervoor: Henny Buiting, De Nieuwe Tijd. Sociaaldemokratisch Maandschrift. 1896-
1921 (Amsterdam 2003) 93, noot 425. Het ging om een brochure van C.A. Schramm,
die zelf ook niets van Marx’ economische theorieën had begrepen. De eerste pagina
van Domela’s popularisering is over geschreven van de popularisering door Johann
Most, een werkje waar Marx bijzonder kwaad over was.
18 19
van mensen als Van Kol en Ignaz Bahlmann. Erger nog, in zijn ogen
trachtten die hem financieel te ruïneren. Het feit dat hij een groot deel
van zijn vermogen zou zijn kwijt geraakt aan de arbeidersbeweging, wint
door de gedenkschriften aan geloofwaardigheid, maar was, zoals we nog
zullen zien, niet de enige oorzaak dat Domela Nieuwenhuis aan financiële
kracht inboette.
Het is zeker zo, dat Domela’s financiële hulp de infrastructuur van
de Sociaal-Democratische Bond versterkt heeft. Hij verstrekte een hypotheek
voor aanschaf van het Haagse vergaderlokaal ‘Walhalla’ en verloor
daarmee het nodige geld. Hij verstrekte de socialistische drukkerij
‘Excelsior’ een lening, waarvan hij weinig terugzag en nadat hij begin
jaren 1880 Recht voor Allen in eigendom aan de SDB had gegeven, vulde
hij jaarlijks de tekorten aan. Dergelijke en andere ondersteuningsacties
vergrootten zijn populariteit en versterkten de trouw van zijn aanhang.
Geld kon dus een politieke factor worden. Toen de SDAP werd opgericht
kon Henri van Kol dankzij zijn leningen mensen dwingen zich aan
te sluiten bij de nieuwe partij. Een subsidie van de Duitse zusterpartij
zette de SDAP in de steigers en later zouden financiële injecties van en
via rijke partijleden als Rik en Henriëtte Roland Holst en Floor Wibaut
bijvoorbeeld de uitgave van het dagblad Het Volk mogelijk maken.11
Het is jammer dat de financiële handel en wandel van Domela Nieuwenhuis
niet meer precies in kaart te brengen is. Daarvoor zijn teveel
persoonlijke zaken buiten zijn archief gehouden. Bij het schrijven van de
gedenkschriften waren ze echter nog voorhanden, want Domela Nieuwenhuis
vermeldt tot op de gulden nauwkeurig hoeveel huur het gebouw
Walhalla opbracht.(128-129) Onze kennis van zijn financieel welvaren is
11 Aan de financiële kant van de arbeidersbeweging heb ik aandacht besteed in: ’Bürger
in der Sozialdemokratie. Ihre Bedeutung für die Entwicklung der Sozialdemokratischen
Arbeiterpartei (SDAP) in den Niederlanden 1894-1914‘ Geschichte und Gesellschaft
20/4 (Dezember 1994) 533-49. Voor Domela Nieuwenhuis: Bert Altena (met
medewerking van Rudolf de Jong): ‘En al beschouwen alle broeders mij als den verloren
broeder’. De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
1846-1932 [Amsterdam 1997] 40-46.
dus fragmentarisch. Hij verloor kapitalen door leningen en borgstellingen
voor mensen in de arbeidersbeweging, maar ook door speculaties via
zijn oudste zoon met een Australische goudmijn.12 Eind jaren 1890 was
zijn financiële situatie zodoende niet best en moest hij geld lenen bij
zijn kinderen. De kosten van allerlei geneeskundige behandelingen en
kuren voor zijn vrouw Bertha zullen de zaak niet verbeterd hebben. In
de nieuwe eeuw leende hij dan ook met enige regelmaat geld van familie
en kennissen.13 Hij moest daarom ook met publicaties zijn inkomen versterken.
De baten die De Vrije Socialist opleverde, schoten daarvoor tekort.
Daarom had hij hoop dat zijn Geschiedenis van het Socialisme (1901-1902)
in het buitenland uitgegeven kon worden en toen dat niet lukte, leken de
gedenkschriften een nieuwe mogelijkheid te bieden.
Memoires als verdienmodel
Hij begon in de tweede helft van 1906 met schrijven. Naar hij in zijn
voorwoord van 2 augustus 1910 zegt, deed hij dit op aandrang van vrienden.(
p 27) Volgens eigen zeggen was hij niet meteen gewonnen voor het
idee. Misschien vond hij het nodig W.H. Vliegen’s De Dageraad der
Volksbevrijding (eerste druk uitgekomen in 1905), waarin de geschiedenis
van de Sociaal-Democratische Bond wordt verhaald, te corrigeren en
aan te vullen.(bijvoorbeeld 485) Het is ook mogelijk dat de autobiografie
van Kropotkin, die hij had vertaald, hem inspireerde of zijn huldiging
in 1904 en de daarmee verbonden terugblik op 25 jaar Recht voor Allen:
Een vijf-en-twintigjarige Veldtocht tegen het Kapitalisme (Amsterdam
1904). In ieder geval was zeker de behoefte aan geld een belangrijke factor
en Domela Nieuwenhuis dacht in dit geval groot. Terwijl hij nog maar
12 Christiaan Cornelissen, Strijd, lief en leed in de Oude Socialistische beweging en de Vakorganisatie.
Persoonlijke herinneringen. Bezorgd door Homme Wedman, 115; Altena/
De Jong, Broeders, 465-467, 470.
13 Bijvoorbeeld F. Domela Nieuwenhuis aan Raphael Friedeberg, Hilversum 28/3,
17/4/1907 en Turijn, 30/9/1908 in: IISG, archief-Friedeberg 53,54 en 70.
20 21
net aan het schrijven was geslagen, had hij al een Duitse vriend in Amsterdam
bereid gevonden de tekst in het Duits te vertalen en kort daarna
probeerde hij via de oude socialist Victor Dave, die in Parijs woonde,
ook tot een uitgave in het Frans te komen. Het idee was dat hij pas met
een Nederlandse uitgever (iemand had hem al herhaaldelijk gevraagd)
in de slag zou gaan, wanneer de uitgave in het Duits en Frans vaststond.
Dat duidt erop dat hij zijn internationale status met het boek verder
wilde uitbouwen, zeker ook nog eens de Duitse sociaal-democraten de
les lezen en de ogen van de Duitse arbeiders te openen voor wat hun socialistische
leiders nu echt voorstonden. De Duitse vriend was in april
1907 in onderhandeling met een uitgever in Berlijn, maar dat schoot
niet erg op. Tien maanden later was er nog geen contract en de vertaler
schreef nu ook uitgevers in Leipzig en Stuttgart benaderd te hebben.
Intussen kon Domela Nieuwenhuis niets doen, want hij was zo dom
geweest van het manuscript geen kopie te maken. De vertaler had alles
in zijn bezit. In december 1908 moest hij bekennen waarschijnlijk in het
ootje te zijn genomen. Weg het perspectief van een mooi honorarium
en nu maar hopen dat het manuscript nog terugkwam. Intussen had
Dave ook nog niets kunnen bereiken voor een lucratief contract met een
Franse uitgever. Kennelijk was het boek niet interessant genoeg voor de
buitenlandse markten. Het hele plan om de gedenkschriften tegelijkertijd
in drie talen uit te geven viel in duigen. In een laatste poging om
het boek toch nog aantrekkelijk te maken, vroeg Domela Nieuwenhuis
aan Kropotkin een voorwoord te schrijven, maar die antwoordde dat
hij daarvoor ten enenmale het talent miste. Een Duitse vertaling van
enkele hoofdstukken zou slechts in 1911 in het Jahrbuch der freien Generation
für 1912 verschijnen.14
Pas in juni 1909 had de auteur eindelijk zijn manuscript terug en
leefden de oude plannen weer op. Nu ging hij het in Duitsland via de
anarchist en literator Gustav Landauer proberen en als dan Dave eens
14 Gé Nabrink, Bibliografie van, over en in verband met Ferdinand Domela Nieuwenhuis
(Leiden: Brill 1985) 345.
contact opnam met de uitgeverij Stock, die eerder Domela’s Le Socialisme
en Danger had uitgegeven, zou alles toch nog goed komen. Maar
het kwam niet goed en zelfs het idee om in Frankrijk een reukspoor te
leggen door de Typen in Franse vertaling uit te geven, was tevergeefs. Zodoende
kwam in november 1910 slechts een Nederlandse versie uit. Het
is niet bekend of Domela bij de Amsterdamse uitgeverij Van Holkema
en Warendorf even voortreffelijke voorwaarden heeft bedongen als hij
van de Franse en Duitse uitgevers verwachtte. De verkoopprijs was voor
toenmalige begrippen echter hoog: ƒ 5.50. Niettemin was de eerste oplaag
van 1500 exemplaren binnen een week verkocht, wel een teken van
de belangstelling die nog steeds voor Domela bestond.15
Dat Domela Nieuwenhuis het manuscript dus drie jaar in portefeuille
had gehouden omwille van de objectieve waarheid, zoals hij in
zijn voorwoord schrijft, is dus nogal bezijden de waarheid. Hij heeft
echter de tekst nog eens doorgelezen en hier een daar aangevuld, maar
allerlei gebeurtenissen tussen voorjaar 1907 en najaar 1910, zoals de perikelen
omtrent het internationale anarchistencongres in Amsterdam
in 1907, ontbreken. Achteraf bezien is wel te verklaren dat het niet tot
een Duitse en Franse uitgave van de tekst kwam. Daarvoor was hij te
weinig internationaal gericht en bevatte hij teveel beschouwingen over
Nederlandse affaires.
Begin 1911 lag de tweede druk in de winkels met dezelfde hoge prijs.
Daardoor bleef het boek buiten het bereik van veel arbeiders, want
het kostte ongeveer een half weekloon. Om hen te bedienen drongen
lezers bij de uitgeverij aan een goedkopere uitgave. Iemand meende:
“na den eenigen Max Havelaar en naderhand de overige vruchten van
15 Brieven van Domela Nieuwenhuis aan Victor Dave in: IISG, archief-Dave 9. P. Kropotkin
aan Domela Nieuwenhuis, Locarno 22/2/1909 in: Rossijskij Centr Chranenija
i Izuńćenija Dokumentov Novejšej Istorii, Fond 208 (internationale correspondentie
F. Domela Nieuwenhuis) 231; Domela Nieuwenhuis aan Max Nettlau [maar waarschijnlijk
aan Victor Dave], Hilversum 23/6/1909 in: IISG, archief-Nettlau 363. Verkoop:
Domela Nieuwenhuis aan Raphael Friedeberg, Hilversum 1/1/1911 in: IISG,
archief-Friedeberg 84; zie ook Tjeerd Dijkstra aan Van Holkema en Warendorf, Breda
23/1/1911 [afschrift] in: IISG, archief-F. Domela Nieuwenhuis, 6.
22 23
Multatuli’s rijken en grooten geest is mij, in trouwe, geen boek onder de
oogen gekomen, dat zoo een machtigen indruk op mij gemaakt heeft, als
dit schoone, als dit klassieke geestesproduct van den heer D.N., zoo sober
en streng van vorm, zoo rijk van inhoud, dat het voor mij is “a thing
of beauty and joy forever”.”16 Ook dergelijke ontboezemingen mochten
niet baten. Pas in oktober 1914, dus tijdens de beginmaanden van de Eerste
Wereldoorlog, verkreeg Domela’s medewerker Gerhard Rijnders het
recht om een ‘volksuitgave’ te maken in zijn Roode Bibliotheek. Voor
Rijnders’ doen werd dit een prachtuitgave: mooi vormgegeven omslag
met daarop geplakt de bekende foto van Domela Nieuwenhuis aan zijn
bureau, die voor veel aanhangers het voorbeeld zou worden voor een
eigen geschilderd portret van hun “meester”. Verder was het boek op gevergeerd
papier gedrukt, terwijl Rijnders doorgaans het goedkoopste papier
gebruikte dat hij kon vinden, maar er waren slechts vier illustraties:
de foto van de net uit de gevangenis teruggekeerde Domela Nieuwenhuis
te midden van zijn kameraden en drie portretten van de auteur.
Met zulk chique papier (wel een teken hoe de uitgever zijn auteur zag
en welke plaats in de beweging hij diens memoires toemat) was ook deze
uitgave nog aan de dure kant. Het is niet bekend hoe groot de oplaag was,
maar gezien de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog voor de portemonnee
van het beoogd publiek, zal die niet snel zijn uitverkocht. Pas in 1921
zag Rijnders ruimte voor een nieuwe druk van zijn volksuitgave. Inmiddels
waren alle prijzen gestegen en moest de uitgever korzelig vaststellen
dat het boek nog steeds aan de dure kant was. Het was nu goedkoper
gebonden, op goedkoper papier gedrukt en uit een kleinere letter gezet,
maar daar stond wel tegenover dat het veel rijker geïllustreerd was met
foto’s van allerlei lieden, karikaturen en tekeningen van bijvoorbeeld
het Volkspark.
Volgens de bibliografie van Gé Nabrink heeft Rijnders daarna onder
een iets andere titel de Gedenkschriften nogmaals uitgebracht, maar nu
16 Als door Domela Nieuwenhuis aangehaald in het voorwoord bij de derde druk van
eind 1914.
zonder afbeeldingen. Daarmee lijkt de markt voor lange tijd verzadigd
te zijn geweest. Pas in 1971 zou Albert de Jong een sterk bekorte versie
het licht doen zien aangevuld met herinneringen onder andere van
hemzelf.17
Antisemiet?
In 1890 bezocht Domela Nieuwenhuis samen met de Belgische socialist
Edmond van Beveren en een andere Hollandse socialist de redactie van
het Duitse socialistische partijblad in Berlijn. Hij zag daar, heel anders
dan bij Recht voor Allen gebruikelijk was, nogal wat heren in bontjassen,
“meerendeels Joden”. In zijn bespreking van de Gedenkschriften concludeerde
de Duitse socioloog Robert Michels, goede bekende van Domela
Nieuwenhuis en inmiddels hoogleraar in Turijn, op grond van deze
passage dat Domela Nieuwenhuis onder andere wegens het grote aantal
rijke joden onder haar aanhangers tegen de Duitse sociaaldemocratische
partij was.18 De laatste biograaf van Domela Nieuwenhuis noemt
hem onder andere op grond van deze passage een antisemiet. Het is hier
niet de plaats om de onjuistheid van dat oordeel volledig uit de doeken
te doen, maar iets moet over Domela Nieuwenhuis’ vermeende antisemitisme
toch gezegd worden. Domela heeft zijn constatering tamelijk
feitelijk neergeschreven en wel in 1906 of 1907, niet in 1890. Over de rol
die hij joden toe zou meten in het reilen en zeilen van de SPD zwijgen
de memoires verder, zelfs als het om partijvoorzitter Paul Singer gaat.
Mijns inziens suggereert Domela Nieuwenhuis hier namelijk eerder dat
de Duitse partij bereid was geld aan te nemen van rijke lieden en dat
die slimme joodse bankiers dat het eerste door hadden. Zoals nog zal
blijken is dat niet meteen antisemitisme.
17 Nabrink, Bibliografie, 345.
18 Robert Michels, bespreking van Van Christen tot Anarchist in: Archiv für die Geschichte
des Sozialismus und der Arbeiterbewegung, I (1911) 518-521, 519.
24 25
Een deel van het probleem schuilt hierin, dat de tegenwoordige historicus
de geschiedenis van de joden in Nederland en de wijze waarop
Nederlanders met joden zijn omgegaan onderzoekt met de zware last
van Auschwitz in het achterhoofd. Wij zijn, als het goed is, zeer gevoelig
wanneer het om joden in onze geschiedenis gaat, maar juist daardoor
moeten we oppassen voor overinterpretaties en beschuldigingen
van antisemitisme. De mensen die vóór 1940 leefden en werkten, hadden
van Auschwitz geen weet. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat onder
die mensen geen regelrechte antisemieten voorkwamen. En natuurlijk
moeten die ook als zodanig gekwalificeerd worden, maar niet iedereen
die iets over joden zei, zelfs als het negatief was, was een antisemiet.
Zo is het ook met Domela Nieuwenhuis. In plaats van antisemiet te
zijn was hij juist bijzonder en in positieve zin geïnteresseerd in de joden
en hun cultuur. Zo bezocht hij in 1876 na het overlijden van zijn tweede
vrouw een aantal Duitse steden, waaronder Berlijn. Daar ging hij op
vrijdag naar de synagoge. “Ook dat gebouw is der moeite waardig, vooral
‘s avonds als het verlicht is.” Vervolgens bezocht hij ook de synagoge van
vrijzinnige joden, waar de diensten op zondag werden gehouden, vrouwen
en mannen even welkom waren en het Hebreeuws was afgeschaft.
“Ik kocht een gezangboek, maar de inhoud daarvan bracht mij geenszins
op de hoogte van het wezen dier gemeente.”19
Hier spreekt in de eerste plaats theologische belangstelling uit, later
verbreedde zich zijn interesse. Hij nam kennis van het antisemitisme
onder andere uit de Anti-Semiten Katechismus van Thomas Frey, een
werkje voor propagandisten van het antisemitisme, waarin gesteund
door allerlei citaten van Duitse Dichter und Denker het jodendom juist
om zijn raskenmerken werd veroordeeld.20 Hij kocht boeken van de
Franse antisemiet Édouard Drumont. Dat maakte hem geen antisemiet,
maar deed hem het antisemitisme wel beter begrijpen. Toen Frankrijk
19 F. Domela Nieuwenhuis aan A. Domela Nieuwenhuis, Den Haag 20/9/1876 in: Altena/
De Jong, Broeders, 207.
20 F. Domela Nieuwenhuis aan A. Domela Nieuwenhuis, Den Haag 7/11/1887 in: Altena/
De Jong, Broeders, 387.
in januari 1898 in vuur en vlam raakte vanwege de veroordeling van kapitein
Alfred Dreyfus, waarbij antisemitische sentimenten een zeer duidelijke
rol speelden, koos Domela Nieuwenhuis de kant van Dreyfus
(“van geboorte Franschman, van godsdienst Jood”) en van de schrijver
Émile Zola die de Franse legertop had beschuldigd van kwalijke praktijken
in deze zaak. In een hoofdartikel van 24 augustus 1898 keerde hij
zich uitvoerig tegen het antisemitisme, dat hij vooral zag als instrument
in handen van de katholieke kerk. Als Domela Nieuwenhuis ergens tegen
was, dan was het wel de katholieke kerk. Elke gelegenheid die haar
voordeel kon brengen, om te beginnen jodenhaat, greep ze in zijn ogen
aan. Een heel arsenaal antipathieke eigenschappen van joden prentte ze
katholieke kinderen al vroeg in, betoogde hij. “Men leert de kinderen als
beteekenis van mensch, iets dat allerminst daarmee gelijkenis vertoont”
en je vindt dat in het dagelijks taalgebruik terug: perenjood, boekenjood.
Een ieder moet echter eerst als mens worden erkend en dan heb je onder
alle mensen goede en slechte. In het al dan niet latente antisemitisme
zag Domela Nieuwenhuis ook een oorzaak voor iets dat hem bijzonder
boeide, namelijk het feit dat veel joden zo slim waren. Wellicht ligt daar
de betekenis van die joodse heren in bontjassen: “Laat ons toegeven,
dat uit den aard der verhouding met de niet Joden hun zelfs een zekere
slimheid moet toegeschreven worden, doordien zij nooit weten hoe ze
het zelfs met hun beste niet Joodsche vrienden hebben.”21
In Nederland bestreed Domela Nieuwenhuis dus vooral het antisemitisme
van katholieke zijde. Zijn bête noire was hier Franciscus Josephus
Hubertus Thissen, van 1883-1907 pastoor van Amstenrade en redacteur
van de Limburgsche Koerier. In één van de kritieken op Thissen
schreef Domela dat ook onder protestanten antisemitisme voorkwam
(wie heeft de beste godsdienst?) en zelfs onder socialisten. Hij veroordeelde
bijvoorbeeld dat een lid van het Hogerhuis-comité (hierover
433-435) op de manier van de “straat-antisemiten” een joods accent probeerde
na te bootsen. Uit deze voorbeelden spreekt eerder een Domela
21 De Vrije Socialist, 24/8/1898
26 27
Nieuwenhuis die zeer kritisch was op antisemitisme. Het ging in tegen
zijn mensbeeld, tegen zijn beschavingsstreven en tegen zijn ideaal van
een harmonische menselijke samenleving.22
Slot
Deze gedenkschriften zijn in niet geringe mate een persoonlijk getuigenis
van opoffering, lijden, kinnesinne en politiek meningsverschil.
Dat alles komt bij elkaar in de curieuze fantasie waarmee de auteur zijn
memoires afsluit. Ook dat hoofdstuk maakte deel uit van het oorspronkelijke
manuscript. Het is niet in 1909 toegevoegd en getuigt zodoende
nog eens van Domela’s overschatting van de internationale waarde van
zijn gedenkschriften. Waarde hebben ze zeker, ook internationale, maar
voor een uitgave in Duitsland en Frankrijk waren ze toch te Nederlands.
Ze hebben waarde voor elke biograaf van Domela Nieuwenhuis omdat
ze aspecten van zijn ingewikkelde persoonlijkheid laten zien. Gesloten
persoonlijkheden geven zich nu eenmaal niet zo gemakkelijk prijs. Zolang
Domela Nieuwenhuis een rol blijft spelen in het geheugen van Nederland,
zolang zullen deze memoires daarom blijven boeien.23
Bert Altena
22 De

> terug naar uitgave