FIGNER, NACHT OVER RUSLAND

Deel 1: Vrijheid of dood

HET MOSKOUSCHE TIJDPERK EN ZIJN EINDE

In Moskou stonden wij voor de noodzakelijkheid het voor Petersburg opgemaakte organisatieplan te veranderen volgens de omstandigheden die tengevolge van de overplaatsing van de centrale naar Moskou ontstaan waren. Buitendien wilde het comité de meening der leden over een nieuwe onderneming weten, n.l. over een organisatie die onder de naam "Broederschap Christus" verschillende aanhangers der Oud-Russische geloofsbelijdenis voor de zaak der revolutie wilden winnen. In de rijen van deze geheime vereeniging wilde de Partij alle tegenstanders van de officieel heerschende kerk zien te krijgen, zonder onderscheid van geloof, waarbij de voornaamste taak van de vereeniging de bestrijding van de heerschende regeering zou zijn en haar einddoel de val hiervan. Franscholi, een voormalige Norodnik-propagandist uit het proces der 193 die na den 1sten Maart als agent van het comité naar Moskou kwam, was vol enthousiasme voor dit plan. Hij was echter reeds meer dan een jaar zwaar ziek en verliet nooit zijn bed. In zijn woning, waar hij met zijn vrouw Eugenie Sawadskaja, die ik in Zürich had leeren kennen, woonde, werd de drukkerij ingericht die speciaal voor de literatuur der Broederschap werd gebruikt. De geheele onderneming was van den beginne af niets waard, het was een waandenkbeeld van de intelligentsia. Men toonde een algeheele onbekendheid met het religieuze leven van het volk en dit alles bleef zonder eenig resultaat.
Toch is het interessant hier vast te stellen dat de gedachte om de Oudgeloovigen en afgescheidenen op te wekken tot een strijd tegen de regeering reeds sedert de zeventiger jaren in de hoofden der revolutionairen rondspookte. Het scheen alsof er een vereeniging mogelijk was, daar de behoefte aan politieke vrijheid die ook gewetensvrijheid zou garandeeren bij de zwaar vervolgde Oud-geloovigen zeer groot was. De revolutionaire Partij achtte het zeer onwaarschijnlijk dat deze elf millioen Russen in den strijd tegen de gemeenschappelijke vijand van wien zij de zwaarste onderdrukking en vervolging wegens hun religieuze overtuiging moesten dulden, onverschillig zouden blijven. De belangstelling in revolutionaire kringen voor de verdeeldheid in de kerk en het sekte-wezen heeft nooit opgehouden te bestaan. In de zeventiger jaren placht iedere revolutionair buiten de geschiedenis der volksbewegingen en der boerenopstanden zonder onderscheid alles te lezen wat er in de Russische literatuur bestond, zoowel over de dorpsgemeenten als over de geschiedenis van de scheuring der kerk en het sekte-wezen. Hoe zeer zij zich echter ook inspanden om met de afgescheidenen en Oud-geloovigen in nauwer contact te komen, al hun zwakke pogingen knapten af door de harde levenswerkelijkheid.
De pogingen van Frolenko en Anossow in den Ural, van dezelfde Frolenko en Kowalski in 1879 in het Zuiden, van Alexander Michailow in 1878 in het gouvernement Saratow, de Narodnaja Wolja in het gouvernement Twer: steeds weer deden wij nieuwe pogingen om bij de afgescheidenen van het Russische volk de revolutionaire idee ingang te doen vinden. Een bewijs hoe taai een eenmaal ingeburgerd idee is, is wel het volgende. In de jaren 1912/13 zeide de veteraan der revolutionaire beweging, Natanson, in een gesprek met mij dat volgens hem de Oud-geloovigen en afgescheidenen zeker elementen waren waarop een revolutionaire Partij in de strijd om politieke vrijheid zou kunnen steunen.
In Moskou gaf ik het comité talrijke bewijzen en inlichtingen omtrent de behandeling die Strelnikow, officier van Justitie bij het militair Gerechtshof, de gevangenen in Odessa en Kiew liet ondergaan. Strelnikow hield massa-huiszoekingen en liet menschen gevangen nemen welker namen door de gevangenen die in voorarrest zaten waren genoemd, maar die in geen enkele betrekking tot de revolutionaire beweging stonden. Zijn principe was: liever negen onschuldigen gevangennemen dan één schuldige laten loopen. Tegen de aangeklaagden werden de zwaarste beschuldigingen geuit en zij werden tot bekentenis gedwongen. Bedreigingen dat zij nooit de gevangenis meer zouden verlaten als zij niet alles bekenden, waren schering en inslag. Wanneer de gevangenen niettegenstaande dit toch weigerden te spreken, dan kende zijn woede geen grenzen. Men vertelde dat hij in Kiew in tegenwoordigheid van den Officier van Justitie den arbeider Piroschenkow naar de keel was gevlogen en gewurgd had.
Na een poging tot ontvluchting van Urussow vroeg hij de gendarmen: "Hebben jullie hem doodgeslagen?" "Neen". "Jullie hebben hem toch zeker geslagen?" "Neen." "Dat is jammer", antwoordde de generaal. Over verdachte personen die nog niet in zijn klauwen waren sprak hij nooit anders als: "Als ik die schurk eerst maar tusschen mijn vingers heb!" De familieleden der gevangenen pijnigde hij op ongehoorde wijze. Zijn gebruikelijk antwoord op het smeeken van een moeder was: "Uw zoon wordt opgehangen." Zijn gedrag tegenover de Joden was meer dan verschrikkelijk. Het was voor hem een genoegen de ellende van zijn slachtoffers te zien. Hij stond bekend als een wreed, harteloos mensch die vrijwillig de rol van beul op zich genomen had. Ik stelde het comité in kennis van het algemeene verlangen om deze beul zijn arbeid neer te doen leggen. Hij bracht groote schade toe aan onze Partij. In de oogen der openbare meening haalde hij de goede roep die van ons uitging naar beneden, daar wij geen controle hadden over de afgeperste bekentenissen der gevangenen.
Mijn besluit werd goedgekeurd en het noodlot van Strelnikow daardoor bezegeld. Ik kreeg opdracht van het comité naar Odessa te gaan en de noodige voorbereidingen te treffen. Na twee weken had ik het noodige materiaal in handen. Daarop zond het comité Chalturin ter voltrekking van het doodsoordeel. Hij kwam 31 December 1881. Ik gaf hem alle bijzonderheden die ik over Strelnikow te weten was gekomen. Maar plotseling verdween Strelnikow uit Odessa en bleef bijna een maand weg. Het was reeds midden in Februari toen hij weer opdook en nieuwe gevangennemingen deed, die ononderbroken tot zijn dood duurden. Wij besloten om met Klimenko, die door het comité was gezonden, Chalturin bij te staan in zijn aanslag op Strelnikow die hij tijdens diens wandeling zou uitvoeren. Een paard zou gereed staan om een vlucht mogelijk te maken. Het gevaar dat onder de massa-gevangennemingen ook een van ons zou kunnen vallen was zeer groot, en wij besloten de zaak zoo spoedig mogelijk tot een einde te brengen. Ik verschafte de 600 roebel voor aankoop van een paard en gaf ze aan Chalturin.
Mijn verdere aanwezigheid in Odessa zou de zaak moeilijker maken, daar men Helena Iwanowna Kolossowa - in dien tijd leefde ik onder dien naam - reeds door de geheele stad zocht.
Menschen die ik nooit had gezien hoorde ik aan elkaar vertellen dat Kolossowa werd gezocht. Eenige van mijn vrienden werden gevangengenomen, bij ander werden huiszoekingen gedaan waarbij een portret van mij werd getoond. Ook vertelde men dat de arbeider Merkulow die in het proces der 20 Narodowolzy veroordeeld werd, weer vrij was gelaten met het doel om zijn vroegere kameraden te verraden. Hij werd, zoo vertelde men, speciaal naar Odessa gezonden om mij op straat te kunnen aanwijzen. Alles drong dus aan tot een spoedig vertrek. Voor dat ik Odessa verliet, kregen wij bericht dat Schelwakow, een agent van het comité, Chalturin zou komen helpen en reeds onderweg was. Op den 18den Maart voerden beiden met succes de aanslag op Strelnikow uit. Zij hadden echter geen gelegenheid meer om te vluchten en beiden werden terechtgesteld.
In het midden van Maart 1882 kwam ik in Moskou terug en nam mijn intrek in de kleine, armoedige woning van Andrejewa, die evenals haar broeder lid was van de Moskousche groep. Mijn terugkeer naar Moskou viel wel in een zeer ongunstige tijd. In Februari hadden er massa-gevangennemingen plaats gevonden die overal groote verwarring brachten. Op den 10en Maart werd de woning in de Sadowaja, die Bogdanowitsch bewoonde ontdekt. Oschanina, die voorzichtiger was geweest, had het huis bijtijds verlaten.
Men wist niet wie er verraden, wie bespionneerd werd, en wie ieder oogenblik zou gevangen kunnen worden genomen, en door al deze onzekerheden hielden wij ons een tijdlang van elkaar verwijderd. Het gerucht deed de ronde dat iemand uit een der plaatselijke groepen "een volledige bekentenis" had afgelegd. Er heerschte een stemming van "redt je als je kunt". Franscholi en Sawadskaja gingen naar Saratow en vandaar naar Charkow. Tichomirow en zijn vrouw begaven zich naar Rostow a.d. Don en zonden vandaar uit een vriendin naar mij met het verzoek hun een buitenlandsche pas te verschaffen. Niettegenstaande al mijn vermaningen en protesten gingen zij spoedig daarop naar het buitenland. Oschanina, wier gezondheid zeer geschokt was ging naar Parijs en keerde niet meer naar Rusland terug. Al deze gebeurtenissen en berichten maakten de stemming zeer gedrukt.
Spoedig daarop kwam Slatopolski bij mij met een oproep van het comité in verband met den moord op Strelnikow, waarin ik aangemaand werd Moskou te verlaten zonder iemand van de leden meer te zien. Er werd besloten dat ik naar Charkow zou gaan waar wij naast de plaatselijke afdeeling geen andere vertegenwoordigers van het comité hadden, daar Schebunewa, die daar tot voor kort had gewerkt, haar man naar Siberië wilde vergezellen. Twee weken later op den 13en April werd ook Slatopolski gevangen genomen. De drukkerij werd gesloten en het personeel verspreidde zich. Dit was het einde van het Moskouer tijdperk.

> terug naar uitgave