INLEIDING

1
Een van de bloeiperioden van het anarchisme in Nederland viel in de jaren twintig. De omwenteling en de opstanden die zich sinds 1917 in Rusland en andere Europese landen hadden voltrokken, hadden ook hier revolutionaire verwachtingen gewekt. De arbeidersbeweging was geradicaliseerd: demonstraties, stakingen en andere directe acties waren daar het bewijs van.
Evenzeer van belang was de brede afkeer van oorlog en militarisme, die zich gedurende de (Eerste) Wereldoorlog verder had ontwikkeld en zich nu onder meer manifesteerde in een groeiend aantal dienstweigeraars en ook in de opbloei van pacifistische en antimilitaristische organisaties.
Dit alles ging uiteraard niet aan jongeren voorbij. Rond 1920 groeide er een generatie adolescenten op  - opstandig, radicaal en vervuld van maatschappelijke idealen – die ten dele geboeid raakte door anarchistische ideeën. Een voorbeeld van die ontwikkeling is dat sommigen van de geheelonthoudersjongeren, de ‘blauwe’ jeugdbeweging, sympathiek ten opzichte van het anarchisme kwamen te staan. Uit die kring ontstond het Vrije Jeugd Verbond (VJV), waaruit eind 1923 de Mokergroep, rond het blad De Moker, voortkwam. Een vergelijkbare ontwikkeling zien we bij afdelingen van de Sociaal-Anarchistische Jongeren Organisatie (SAJO), in 1916 ontstaan in Amsterdam. Vanaf 1922 vormden zich rond het nieuwe blad Alarm lokale groepen van jonge anarchisten, vaak vroegere SAJO-groepen.
Kenmerkend voor deze anarchistische twintigers was de strijdbaarheid waarmee ze van hun idealen getuigden. In hun tijdschriften bestreden ze het ‘bonzendom’ in politieke partijen en vakorganisaties, ook die van de geestverwante syndicalisten. (Met de benaming ‘bonzen’ werden vrijgestelde bestuurders aangeduid die persoonlijk belang hadden bij het voortbestaan van de eigen organisatie.)
In meerderheid waren de jongeren rond Alarm en De Moker arbeidersjongeren, maar er was ook een deel dat afkomstig was uit de middengroepen, soms hoog opgeleid. Deze jonge anarchisten vormden een aparte subcultuur in de marge van de samenleving. Ze organiseerden zich lokaal in kleine groepen van activisten die elkaar goed kenden. De bekende idealen als antimilitarisme – inclusief het dienstweigeren - , geheelonthouding, vegetarisme en een natuurlijke levensstijl met veel licht en lucht, rauwkost, kamperen, naakt zwemmen en een vrije en kameraadschappelijke omgang tussen jongens en meisjes, werden algemeen gepraktiseerd. Hoogtepunten waren de jaarlijkse bijeenkomsten tijdens de Pinksterdagen, de zogeheten Pinkstermobilisaties, die vanaf 1924 in onder andere Amersfoort, Soest en Appelscha plaats vonden.
In dit verband kan de betekenis van de eigen pers voor de cohesie en de continuïteit van het anarchisme niet genoeg benadrukt worden. Kranten en tijdschriften van en voor anarchisten brachten stabiliteit in het vaak los samenhangende netwerk dat we anarchistische beweging noemen. Altijd al speelden organisaties een weinig prominente rol in het Nederlandse anarchisme en lag het accent veelal op groepen geestverwanten rond een specifieke krant of tijdschrift.
Ook in de jaren twintig was dat het geval. Alarm, Opstand (de opvolger van Alarm), De Moker en andere bladen van jonge anarchisten waren belangrijke middelen om hun opvattingen over antikapitalisme, anti-etatisme, antimilitarisme en atheïsme te propageren. Tegelijk konden ze in die bladen hun kritiek op de bestaande anarchistische beweging - de oudere generaties anarchisten dus - kwijt. Dat laatste valt al af te lezen aan de vorm die de jongeren aan hun bladen gaven. In plaats van het toen gangbare dagbladformaat kozen ze voor kleinere, handzame tijdschriften met het formaat van wat we nu een grote paperback (ongeveer 22 x 28 cm) noemen, twee kolommen tekst op een pagina en een voorpagina waarvan de fel kritische illustratie, vaak een hout- of linosnede, direct de aandacht trok. Ook typografisch oogden deze jongerenbladen anders, meer eigentijds, dan de bestaande anarchistische pers. Hierin stonden deze bladen niet alleen, ook elders, bijvoorbeeld in Duitsland verschenen vergelijkbare bladen. Kortom, Alarm, Opstand en De Moker waren aantrekkelijk vormgegeven, wat niet in de laatste plaats van belang was voor de losse verkoop. Immers, de afzet ervan door colportage moest vele malen groter zijn dan het aantal abonnementen om zo’n blad te kunnen exploiteren.

2
In zijn boek De Alarmisten 1918-1933 (1975), waarin Anton Constandse (1899-1985) terugblikt op de tijdschriften Alarm en Opstand, waarvan hij de redactie voerde, merkt hij op dat de uitgave van het ‘Anarchistisch Maandblad’ Alarm in 1926 financieel onmogelijk werd. Toch verscheen er al weer snel - in juli 1926 - een soortgelijk blad met de naam Opstand. De uitgave van deze opvolger van Alarm was mogelijk door de steun van een groep radicale bouwvakkers uit Amsterdam die de vakbond verlaten had en propaganda voor bedrijfsraden wilde voeren. Ze garandeerde de afname van duizend exemplaren van het blad voor colportage in Amsterdam. Uit die kring kwamen ook regelmatig redactionele bijdragen, onder meer van Jan Kok. Net als bij Alarm het geval was gaf Constandse het blad uit en was hij (enig) redacteur. Dat kon hij twee jaargangen volhouden. Uiteindelijk hadden de financiële en organisatorische problemen zich dusdanig opgestapeld dat Constandse de uitgave moest staken. Veelzeggend was dat hij colporteurs en abonnees eerder herhaaldelijk had aangemaand om te betalen.
Vandaar dat hij in nummer 12 van de tweede jaargang (juni 1928) berichtte dat er weliswaar een derde jaargang van Opstand zou volgen, maar dat deze zou verschijnen als uitgave van het pas opgerichte Sociaal-Anarchistisch Verbond (SAV). Constandse zou samen met Gé Nabrink en Leen van der Linde de redactie ervan vormen. Het liep echter anders: op 20 november 1928 kwam zonder nadere berichtgeving het laatste nummer van Opstand uit. Waarschijnlijk was geldgebrek de oorzaak van het abrupte einde van het blad. Kennelijk hadden de oproepen om het zogeheten duizend gulden-fonds te steunen te weinig uitgehaald. Hoewel in het colofon werd vermeld dat Opstand twee maal per maand zou uitkomen, verscheen het slechts vier keer (15 augustus, 10 september, 15 oktober en 20 november). Overigens moet dit nieuwe SAV onderscheiden worden van de gelijknamige organisatie die in 1924 het blad De Vrije Samenleving had uitgegeven, met als redacteuren onder meer de religieus anarchist Bart de Ligt en de syndicalistische anarchist Albert de Jong.
In 1930 herleefde Opstand korte tijd onder de naam Recht voor Allen, een titel die verwees naar het befaamde blad van Ferdinand Domela Nieuwenhuis aan het eind van de negentiende eeuw. Uit die zelfde kring, sinds 1931 Landelijk Verbond van Alarmgroepen geheten, kwam - maar nu zonder de medewerking van Constandse - , in 1932-1933 een nieuwe serie van het tijdschrift Alarm voort. Daarbij speelde Piet Kooijman een belangrijke rol. In 1937-1939 tenslotte kwamen deze Alarmgroepen met een derde serie van het blad Alarm.
Een los nummer van het maandblad Opstand kostte vijf cent, de helft van de prijs van Alarm. Een jaarabonnement was aanvankelijk 75 cent. De omvang bedroeg acht pagina’s, vanaf de tweede jaargang twaalf pagina’s. Korte tijd verscheen het blad twee keer per maand. De oplage was echter een stuk hoger dan die van Alarm, met een maximum van 5000 exemplaren. Overigens was Alarm niet geheel verdwenen. De lopende jaargang werd omgezet in een reeks door Constandse geschreven Alarm-brochures, waarin we soms (delen) van artikelen uit Opstand  herkennen. Overigens plaatste Opstand enkele keren illustraties en korte artikelen die eerder in Alarm verschenen waren.
Opstand had als ondertitel ‘Revolutionair Maandblad’, maar was wat betreft politieke ideologie evenzeer anarchistisch als Alarm. Het formaat was gelijk en ook de uitvoering verschilde weinig. Karakteristiek was - evenals bij Alarm – de titelpagina met meestal een opvallende politieke prent, vaak een hout- of linosnede. Nogal wat nummers openden met een tekening van Frans Masereel of Albert Daenens, twee Belgische kunstenaars met een herkenbare beeldtaal, die we veelvuldig in Nederlandse anarchistische bladen tijdens het interbellum tegenkomen. Nederlandse kunstenaars die bijdragen leverden waren onder anderen Jan Ponstijn en Jos Verkuil. Verder treffen we litho’s en tekeningen aan van de Duitse links-radicale kunstenaars Käthe Kollwitz en Georg Grosz, maar ook een antigodsdienstige spotprent van de Nederlandse sociaaldemocraat Albert Hahn, een politiek tekenaar die in het verleden verscheidene keren naar het anarchisme had uitgehaald.

3
Opstand was in nog sterkere mate dan Alarm beïnvloed door het sinds 1911 in Berlijn verschijnende tijdschrift Die Aktion (Zeitschrift für Politik, Literatur, Kunst) van de libertaire publicist Franz Pfemfert. Allereerst zijn er de overeenkomsten voor wat betreft de vormgeving, ten tweede de inhoudelijke overeenkomsten: relatief korte artikelen over politieke onderwerpen en daarnaast aandacht voor kunst en literatuur. Bij Alarm en Opstand was die aandacht voor literatuur wel wat beperkter dan bij Die Aktion, maar in ieder geval moeten de vertalingen van de Duitse dichter Oscar Kanehl hier vermeld worden. In de derde plaats was Die Aktion in ideologisch opzicht een voorbeeld voor Opstand.
Pfemfert was zich begin jaren twintig steeds meer gaan richten op het zogeheten radencommunisme. Daarbij ging het niet om de op het marxisme van Herman Gorter en Anton Pannekoek gebaseerde KAPD, de communistische arbeiderspartij van Duitsland, die door Pfemfert beschouwd werd als een politieke partij en daardoor tot het burgerlijke verleden behoorde, maar om de Allgemeine Arbeiter-Union-Einheidsorganisation (AAUE). Dit was een radicale arbeidersorganisatie die zich niet alleen tegen de staat en het kapitaal keerde, maar ook tegen alle politieke partijen en vakbonden die zich vertegenwoordigers van het proletariaat noemden, zowel de reformistische sociaaldemocraten als de zogenaamd revolutionaire bolsjewisten. De AAUE baseerde zich op bedrijfsorganisatie en een radenstelsel: de arbeiders organiseren zich op de werkplek en vormen arbeidersraden die de bedrijven overnemen en vervolgens zelfstandig beheren. Economische actie en politieke actie gingen daarin samen.
Dat Opstand voor deze combinatie van proletarisch anarchisme en radencommunisme koos bleek duidelijk uit het artikel over de AAUE  dat in het eerste nummer verscheen en dat eindigde met de woorden: ’Slechts van onder op uit de bedrijven groeit het eenheidsfront der arbeiders, die alleen zelf de overwinning en de verlossende daad kunnen tot stand brengen: de Sociale Revolutie.’
Evenals Alarm was Opstand geen eenmansblad, al nam Constandse veelal het merendeel van de artikelen voor zijn rekening, meestal ondertekend met ALC of C, maar soms ook met zijn pseudoniem G. Hamer of zonder ondertekening. Tot de belangrijkste medewerkers behoorden Jan Kok en Jo de Haas. De laatste had ook voor Alarm bijdragen geleverd, maar andere medewerkers aan dat tijdschrift ontbraken in Opstand. Daar staat tegenover dat zo nu en dan artikelen en berichten geplaatst werden van Nederlandse radencommunisten ( Groepen van Internationale Communisten, hun persdienst PIC, Henk Canne Meijer). Verder bevatte Opstand allerlei korte berichten, commentaren en aforismen – van anarchisten maar ook van anderen, zoals Multatuli, Heinrich Heine en Oscar Wilde. Opvallend is dat er weinig aandacht besteed werd aan de grondleggers van het anarchistische politieke denken: een enkele keer viel iets te lezen over Bakoenin en Kropotkin, en een speciaal nummer was gewijd aan Domela Nieuwenhuis. Overigens bracht Opstand in de tweede jaargang vaak themanummers uit, nummers over oorlog, gevangenissen, Amerika, Rusland, bedrijfsorganisatie, bolsjewisten en democratie.
Constandses belangstelling voor wat er over de grens plaats vond bleek uit zijn politieke overzichten en analyses van onder meer Rusland, China, Engeland en de Verenigde Staten, maar ook uit de berichtgeving over de anarchistische pers en libertaire literatuur buiten Nederland. Een voorbeeld van dat laatste is te vinden in nummer 5 van de tweede jaargang, waar de Franse anarchist Jean Grave die in de Eerste Wereldoorlog partij had gekozen voor Frankrijk en Engeland, werd neergesabeld. Gezien zijn recente publicaties had Grave zich volgens Constandse aan de kant van de heersende klasse gesteld, nu hij diefstal hoe dan ook veroordeelde, zelfs als de dader bijna omkwam van de honger.
Opstand kenmerkte zich door de luide toon waarop en de harde woorden waarmee het vaak zijn anarchistische boodschap bracht. En terecht zegt Rudolf de Jong in Anton Constandse. Leven tegen de stroom in (1999) dat de manier waarop in Opstand werd uitgehaald naar andersdenkenden – niet alleen politieke tegenstanders als de sociaaldemocraten en bolsjewisten, maar ook libertairen met een andere mening – beslist niet fair was. Bêtes noires in die laatste categorie waren de anarchistische syndicalisten van het NSV (Nederlands Syndicalistisch Vakverbond), van wie vooral Arthur (Muller) Lehning het moest ontgelden. Lehning en zijn medewerkers van het internationale cultuurtijdschrift i10 zijn, aldus Constandse, ‘mensen die zelf niets met het proletariaat gemeen hebben, die zelden of nooit onder arbeiders verkeren, die bladen vullen van en voor de bourgeoisie – en die aan Constandse en De Haas verwijten dat deze niet onder de massa werken! Waarom? Omdat ze tegen vakorganisaties zijn! Terwijl ze dagelijks onder de arbeiders propaganda maken in de kleinste dorpen, en de heren “intellectuelen” filosoferen over muziek, toneel, dans, film, architectuur enz… om ”de massa“ tot de revolutie te brengen?’
Syndicalisme was volgens Opstand niet in lijn met de anarchistische principes van (zelf)bevrijding omdat het in de praktijk toch gericht bleek op verbetering van de (materiële) positie van aangesloten leden binnen de kaders van de bestaande kapitalistische maatschappij. Het was een illusie te menen dat lotsverbetering van een klein deel van de arbeiders tot bevrijding van het proletariaat zou leiden. Staat en kapitaal bleven de macht houden. ‘Alle kracht, aangewend tot verbetering van het kapitalisme is derhalve verloren kracht en onttrokken aan de strijd voor de revolutie’, zo betoogde Constandse. Daarom wees Opstand de vakorganisatietactiek af en propageerde het in plaats daarvan de bedrijfsraden als kernen van de socialistische maatschappij.
Daarnaast was er – en dat kwam herhaaldelijk in Opstand aan de orde – de afkeer van het ‘bonzendom’ van de syndicalisten. In de praktijk zag het blad weinig verschil tussen het NAS (Nationaal Arbeids Secretariaat), de zogenaamd revolutionaire vakorganisatie van de bolsjewist Henk Sneevliet, en het daarvan afgesplitste NSV. En waarschijnlijk speelde nog een andere factor een rol. Die van het tekort aan ethisch idealisme dat het syndicalisme werd toegedicht. Jo de Haas schreef dat eigen profijt nooit de stuwende factor tot handelen kan en mag zijn. Het proletariaat moet ook in actie komen uit zedelijke overtuiging, zelfs als dat handelen in strijd is met het eigen belang. ‘Pas wanneer het proletariaat daartoe in staat is mag het zich met eer socialistisch noemen.’ Toch is het maar de vraag of syndicalisme en bedrijfsraden zo mijlenver van elkaar afstonden als Opstand verkondigde, zeker als we zien hoe beide een vergelijkbare socialistische en federatief gestructureerde samenleving voor ogen hadden.
Wat opvallend ontbreekt in Opstand is een bespreking van de in 1926 in Parijs verschenen brochure ‘Organisatorisch platform van Revolutionaire anarchisten’ door Archinov, Machno en Ida Mett. Hierin pleiten de Oekraïense ballingen, op basis van een analyse achteraf van hun strijd tegen de witte generaals en de bolsjewieken en voor een libertaire samenleving, voor een sterke organisatie op basis van klassenstrijd. In Alarm de voorganger van Opstand spreekt Constandse bewondering uit voor Machno en schrijft hij veel over in Frankrijk verschijnende (vooral individualistische) bladen en brochures. Constandse, die Machno later, in 1930, nog in Parijs bezoekt, moet deze tekst ongetwijfeld gekend hebben en zijn commentaar vanuit zijn individualistische opvattingen op dit pleidooi voor organisatie zou erg interessant zijn.   
 
4   
Grote impact op Constandse hadden de twee maanden detentie die hij vanaf 10 augustus 1927 in de Scheveningse strafgevangenis doorbracht. Ruim een halve eeuw later deed hij er in het speciale Constandsenummer van het maandblad De Gids (1979) verslag van. Hij gebruikte toen de term isolatiefolter om de omstandigheden in de toenmalige gevangenissen te karakteriseren. Zonder radio en dagblad was de gedetineerde afgesloten van de buitenwereld, waren correspondentie en bezoek uiterst beperkt en was contact met andere gevangenen vrijwel onmogelijk – bij luchten en (verplicht) kerkbezoek moesten maskers gedragen worden. Niettemin meende Constandse dat die gevangenschap zijn werklust en strijdvaardigheid positief had beïnvloed. In zijn roman De schande (1928) putte hij onder meer uit die gevangeniservaringen.
Zijn verblijf in de bajes had hij te danken aan wat justitie opruiing noemde. In een artikel over een militaire operatie van enkele westerse staten tegen China (Nederland stuurde de kruiser Sumatra) waren de autoriteiten gevallen over de woorden ‘Wekt de mariniers op tot muiterij, de arbeiders tot staking, alle mensen tot verzet!’. Het artikel was overigens niet verschenen in Opstand maar in het op 16 maart 1927 uitgekomen nummer van De Vrije Socialist, het door Domela Nieuwenhuis opgerichte blad, dat na diens dood was voortgezet door Gerhard Rijnders.
Op 14 juni moest Constandse voor de arrondissementsrechtbank in Den Haag verschijnen. Er werd een gevangenisstraf van vier maanden tegen hem geëist. In zijn verdediging benadrukte hij dat politieke vrijheid een laffe leugen was als justitie niet een feit maar de antimilitaristische gedachte strafbaar stelde. De uitspraak was twee maanden. De verdedigingsrede van Constandse werd afgedrukt in het speciale anti-oorlogsnummer van Opstand (nummer 1; tweede jaargang, 1927). Daarin werd ook aangekondigd dat het eerstvolgende nummer gewijd zou zijn aan ‘de strijd tegen de wet, tegen justitie, de politie, de gevangenissen – tegen het begrip “misdaad” in onze maatschappij.’
In het artikel ‘Misdaad en straf’ in dit gevangenisnummer (nummer 2, tweede jaargang) stelde Constandse vast dat de heersende klasse steelt en moordt als systeem, de kleine dief of moordenaar daarentegen doet het slechts tijdelijk, uit nood, als laatste redmiddel. En hij eiste, net als Kropotkin, algemene en volledige amnestie, een revolutionaire leus die, zo meende hij, alleen in een staatloze en socialistische samenleving te realiseren zou zijn. Verder bevatte dit nummer onder meer een artikel van een anarchist uit Rusland die beschreef hoe de GPU – de geheime dienst van de Russische bolsjewisten – anarchisten en dissidente linkse communisten in kampen in Siberië opsloot.
Zijn vrouw Gerda van der Gaag nam tijdens Constandses detentie de redactionele en administratieve zaken voor Opstand waar en schreef ook in dit gevangenisnummer (‘gewijd aan de vele gewone en politieke slachtoffers van kapitalisme en staat’) met afschuw over de terechtstelling in Massachusetts (Verenigde Staten) van Sacco en Vanzetti, twee van roofmoord beschuldigde anarchisten van Italiaanse afkomst.
Na zijn vrijlating bedankte Constandse in Opstand allen die zijn vrouw en kind tijdens de gevangenschap financieel gesteund hadden. De overgeschoten gelden zou hij gebruiken om brochures voor propagandadoeleinden uit te geven. Het was dan ook pijnlijk dat het NSV hem enkele maanden later verweet dat hij steungelden had aangenomen. In reactie daarop schreef Constandse (in nummer 10, tweede jaargang) onder meer: ’Het overschot is aangewend voor een fonds tot uitgave van mijn propagandistisch werk door de uitgeverij De Albatros, zoals in Opstand was aangekondigd. Had ik dat geld soms moeten schenken aan het NSV voor het salaris van de heren?’
Informatief in Opstand waren de besprekingen van pas verschenen boeken en brochures van Constandse en anderen. Ook door middel van advertenties werden de vele (nieuwe) publicaties van Constandse onder de aandacht van de lezers gebracht. Een van die adverterende uitgeverijen was De Albatros, Van Heurnstraat 208 in Den Haag, het huisadres van Constandse. In die tijd was de verkoop van zijn door De Albatros uitgegeven geschriften – die in feite dus in eigen beheer werden uitgebracht – een van Constandses weinige bronnen van inkomst. Nu zouden we Constandse een zzp’er noemen. Toch plaagde zijn vrouw Gerda hem er later wel eens mee dat hij toen ‘een klein baasje’ was geweest.

5
De derde jaargang van Opstand (vier nummers: augustus – november 1928) heeft een ander karakter dan de eerdere jaargangen. Het oogt wat rommeliger dan in de jaren dat Constandse de redactie voerde. Het was nu een verenigingsblad met onder meer mededelingen van de bij het SAV aangesloten lokale afdelingen van vrije socialisten en sociaalanarchisten. Zonder meer mist dit acht pagina’s tellende ‘halfmaandelijks revolutionair orgaan‘ – dat in werkelijkheid maandelijks uitkwam! – de strakke en journalistieke hand van redigeren van Constandse, die aan deze jaargang slechts een paar korte artikelen bijdroeg. Overigens valt op dat in deze laatste nummers van Opstand geen sprake was van de eerder aangekondigde driehoofdige redactie, maar dat het Landelijk Comité van het SAV de redactie voerde, met Johan J. Lodewijk als secretaris.
Lodewijk was in 1921 en in de jaren daarna als een van de weinigen onder de oudere anarchisten steeds solidair geweest met Piet Kooijman en Leen van der Linde, twee uit de communistische partij getreden anarchisten, die in 1921 met hulp van de sociaalanarchistische jongeren Jo de Haas en Cornelis Eekhof een geruchtmakende bomaanslag in Den Haag hadden gepleegd. Hoewel er geen slachtoffers waren gevallen kregen Kooijman en Van der Linde zware gevangenisstraffen. De Haas werd vrijgesproken, wat bij sommigen in de anarchistische beweging achterdocht tegen hem opriep. Is het louter toeval dat juist tegen de tijd dat Van der Linde en Kooijman vrij kwamen we in Opstand geen artikelen van De Haas meer tegenkomen?                                                                                                  
Hoe het zij, Kooijman en Van der Linde waren in die laatste nummers van Opstand prominent aanwezig. Dat bleek al in het eerste nummer van de derde jaargang, waarop de eerste pagina een portret van de in vrijheid gestelde Duitse dissidente communist Max Hölz stond afgebeeld. Hölz, die in 1921 na een mislukte gewapende opstand in het Vogtland acht jaar gevangenisstraf kreeg, had grote indruk gemaakt op Kooijman en Van der Linde en werd door hen herhaaldelijk geroemd als proletarische propagandist van de daad. Kooijman blikte in Opstand terug op zijn arrestatie na de bomaanslag en zijn tijd in de Leeuwarder strafgevangenis. Maar kenmerkend zijn vooral zijn venijnige commentaren en felle uitvallen, onder meer tegen Gerhard Rijnders (‘een opgeblazen idioot’) en tegen het NAS. Daarom is het opmerkelijk dat het blad zonder enige toelichting een tweedelig artikel plaatste van Theo van Driesten. Het onderwerp – de uitbuiting van het proletariaat – paste er uitstekend in, maar kennelijk vond de redactie het niet van belang te melden dat Van Driesten een actieve rol in datzelfde NAS speelde.
Leen van der Linde belichtte de zes uitgangspunten van het SAV en merkte op dat er nu gelukkig een plaats was gekomen, waar anarchisten en radencommunisten die het standpunt van de revolutionaire klassenstrijd en bedrijfsorganisatie onderschreven, elkaar konden ontmoeten. Johan J. Lodewijk schreef een hilarisch verslag (‘Amsterdamse beeldziekte’) van de manier waarop anarchisten in Amsterdam een monument voor Ferdinand Domela Nieuwenhuis oprichtten, maar wees een gedenksteen in principe niet helemaal af. Voor PAK (Piet Kooijman) hoefde dat alles niet: ‘Er wordt weer eens met de dode gesold; wie er aan mee wil doen – of aan individuvergoding doet, kan zijn geld kwijt.’
 
Hans Ramaer

(Hans Ramaer studeerde maatschappijgeschiedenis en was werkzaam in het onderwijs, de journalistiek en de politiek. Hij publiceerde veel over anarchisme en de geschiedenis daarvan in Nederland, onder andere De piramide der tirannie (1977). Ramaer is (mede)oprichter en eindredacteur van het anarchistische tijdschrift de AS.)
                                     

> terug naar uitgave