ROODBOEK

Proletarisch Requisitoir

Wij arbeiders beleven nu een tijd, waarin de oude wereld breekt. De krachten die haar bouwden, staan onverzoenlijk fel tegenover elkaar. Want het gaat voor beide tegenstanders, de bezitters en heerschers der wereld aan de eene, de niet-bezitters en beheerschten aan de andere kant, nu niet meer om iets meer of iets minder, maar om alles, om het bestaan, om het leven. Voor beiden geldt het den andere te vernietigen om niet zelf vernietigd te worden.
Het wereldkapitalisme is niet onderling één, het bestaat uit verschillende kapitaalsgroepen, die elk voor zich trachten de wereld te veroveren, om het wereldproletariaat uit te buiten.
Elke groep moet "haar" arbeidersklasse zoo fel mogelijk uitbuiten om in de economische strijd tegen de andere zoo sterk mogelijk te staan.
En tegelijk moeten zij ook elk voor zichzelf, het geheele volk tot een eenheid samensmeden door de volksmassa in een nationale roes te brengen, waarin zij voor alles is te gebruiken. Elke groep, die dit niet doet of niet voldoende doet zal krachteloos zijn en ‘t verliezen, in de zeker komende oorlog, die de voortzetting is van de economische oorlog van vandaag. In Duitschland, door Marinus in dit verband genoemd "het hart van Europa" is dit voor ieder arbeider die zien kan, duidelijk. Daar, in Duitschland zijn de klasse-tegenstelling ‘t grootst en ‘t scherpst. De grootkapitalisten zien in de crisis kapitaal en winst bedreigd, ze organiseeren en betalen de terreur der fascistische moordbenden om het levenspeil der arbeiders tot het uiterste naar beneden te kunnen drukken. En tegelijk willen zij, door een geweldige nationale propaganda, het geheele Duitsche volk samensmeden tot een machtig wapen in den onverbiddelijk naderkomenden vernietigingsoorlog tegen de vijandige kapitaalsgroepen. Daar in Duitschland, is de arbeidersklasse het grootst, millioenen arbeiders zijn opeengehoopt in de industriecentra, millioenen zijn uit hun werk gesmeten, voor goed, tot paupers gemaakt.
Hiertegen moèt de arbeidersklasse strijden, haar leven is er mede gemoeid.
Het eenige wat haar van den strijd af houdt is de materieele macht, die de bourgeoisie heeft en haar macht over den geest en het denken der arbeiders en de taktiek der oude arbeidersorganisaties en haar leiders, die de aandacht en de energie der arbeiders afleiden van den strijd, hen verdeelt en onderworpen houdt door parlementaire- en vak-actie.
Van dit inzicht was Marinus v.d. Lubbe diep doordrongen, hij propageerde dat waar hij kon. Dag en nacht was hij in de weer, hij debatteerde, hij kalkte leuzen, hij plakte manifesten, gaf met gelijkgezinde revolutionnaire arbeiders een werkloozenkrant uit, hij knokte met politie, hij ving de klappen op, om anderen vrij te doen blijven. En al zijn kameraden, met wie hij gewerkt heeft, met wie hij als werklooze stempelde, of zij het met zijn politieke inzicht eens waren of niet, wisten dit ééne zeker: een absoluut betrouwbaar kameraad, revolutionnair in merg en been, moedig, eerlijk, die niet praat en anderen de dingen laat opknappen en slagen incasseeren, maar die zelf de eerste is die doèt.
En nu worden in Duitschland de arbeiders weer naar de stembus gesleept, zij zullen zich weerloos laten slachten, neergetrapt worden met de ijzere hiel van de fascistische dictatuur. De beul staat klaar, de bijl opgeheven om toe te slaan, de moordbenden zijn al bezig, elken dag wreeder en onbeschaamder, nu wil hij, nu kàn hij niet blijven kijken, toezien, praten, praten, achteraf zeggen, ik heb wel gelijk gehad, dat het zoo zou gaan. Hij wil schreeuwen tegen het gevaar, tegen het verraad, maar zij zullen het niet hooren. De groote, grauwe massa der proletariërs verdringt zich om den tempel van het parlementair bedrog, de zwarte en roode priesters zwaaien de wierookvaten, de grauwe massa gaapt het aan, verwacht van hen de verlossing. Maar de grauwe massa is buskruit, Marinus weet het, de vonk moet erin om haar geweldige kracht te doen losbarsten, onweerstaanbaar.
Die vonk is de daad. In den nacht van 27 op 28 Februari steekt Marinus v.d. Lubbe dezen tempel, dit konkelpaleis van verraad, in brand.

De Beschuldiging

Na op heeterdaad betrapt en gearresteerd te zijn wordt v.d. Lubbe van twee kanten beschuldigd; in de eerste plaats door de nazi’s en in de tweede plaats door de voormannen van de 2de en 3de Internationale.
Allereerst de beschuldiging van den kant der huidige Duitsche regeering: [Ofschoon v.d. Lubbe al] in de eerste minuut na zijn arrestatie, tot op dit oogenblik volgehouden heeft, dat hij zijn daad alleen, zonder een enkele mededader of medeplichtige volbracht, wordt van Duitsche regeeringszijde met halstarrigheid vastgehouden aan de meening, dat hij voor het in brand steken van het Rijksdaggebouw de hulp en medewerking van anderen gehad moet hebben. De verklaring voor dezen opzet ligt voor de hand. Hoelang reeds hadden Hitler, Goering en Goebbels al niet beloofd, dat zij het "marxisme" met wortel en tak zouden uitroeien! Hadden zij thans in deze brand niet een prachtige aanleiding om de vervulling van deze belofte waaraan zij overigens reeds veel eerder begonnen waren een schijn van rechtvaardiging te verleenen? Het kan niet ontkend worden, dat v.d. Lubbe’s daad den Nazi’s welkom was en hun gelegen kwam om tegen (wraak) maatregelen te treffen. Dit is het geval met iedere revolutionnaire daad, die niet het door den dader bedoelde gevolg heeft. Evengoed als de nazi-beulen thans de Rijksdagbrand als motief voor een verscherping van hun terreur gebruikten (een verscherping die ongetwijfeld ook zonder dit voorval ingetreden zou zijn) zou v.d. Lubbe’s daad het sein voor de proletarische opstand geweest kunnen zijn, als de revolutionnaire geest van het proletariaat niet gedurende een reeks van jaren door de bonzen der Tweede en Derde Internationale ontkracht en verlamd zou zijn geworden. Hoe dit ook zijn moge, de Nazi’s grepen hun kans, spraken van een communistisch complot en arresteerden een legertje communisten van wie ten slotte Torgler, Dimitroff, Popoff en Taneff in arrest bleven, onder verdenking van mededaderschap of medeplichtigheid. Wij hebben er geen vermoeden van, hoe de uitslag van het proces voor het Rijksgerechtshof zal zijn, maar onze vaste overtuiging is, dat deze vier mannen zullen moeten worden vrijgesproken, als de heeren rechters dit heele proces niet tot een walgelijke rechtscomedie willen maken. Torgler c.s. alle aangesloten bij een partij, die tot de 3e Internationale behoort, kunnen o.m. om de hier volgende redenen niet schuldig zijn:
1. Staat de politiek van de Derde Internationale beslist tegenover de z.g.n. individueele terreur.
2. Had Rusland, die de politiek van de Komintern volkomen beheerscht, in verband met zijn nationale opbouw politiek, belang bij een rustig Duitschland, welk land een zijner voornaamste leveranciers was. Alle daden, die tot een ontketening van de proletarische revolutie in Duitschland hadden kunnen leiden, waren Rusland en zijn dienaars, de Komintern, in hevige mate [on]welkom.
3. Had de dader ieder contact met de Komintern reeds in 1931 verbroken en was hij, van een harer beste aanhangers tot een van haar vurigste bestrijders geworden. V.d. Lubbe wist maar al te goed, dat hij waar het een werkelijk revolutionnaire daad gold, niet bij de heeren van de 3de Internationale behoefde te komen.
V.d. Lubbe heeft de 3e Internationale herhaaldelijk zoowel in woord als geschrift in het openbaar bestreden. De Nazi’s weten dit. Mochten zij in het begin ook al even aangenomen hebben dat v.d. Lubbe "partij-communist" was, dan moet toch bij het justitioneel onderzoek, dat zich ook tot Nederland uitstrekte, gebleken zijn, dat deze opvatting onjuist was. Zij kònden het weten, wèten het uit:
Zijn lidmaatschap van anti-parlementaire organisaties, zooals de Groepen van Internationale Communisten en zijn werken voor de Linksche Arbeiders Oppositie (L.A.O.) die beide principieel tegenover de 3de Internationale staan en zijn optreden gedurende de textielstaking in Twente, einde 1931, zijn activiteit in de werkloozenbeweging te Leiden en elders, de werkloozenkranten, die bij met eenige kameraden uitgaf. Dat de Nazi’s dit inderdaad bekend was blijkt voldoende uit het interview dat commissaris Heisig in Maart met een journalist van het Persbureau Vaz Dias had. Tijdens dit gesprek zei hij immers: Dat het resultaat van het onderzoek hem tot de conclusie deed komen, dat de C.P.H. hier ongeveer hetzelfde is als de K.P.D. in Duitschland, maar dat de Groepeering van Internationale Communisten, waarbij v.d. Lubbe de laatste jaren was aangesloten, of waartoe hij zich althans aangetrokken voelde, in Duitschland niet voorkomt. (Alg. Handelsblad, 11 Maart 33). Verder uit zijn colporteeren met het blad "Spartacus", het orgaan van de L.A.O. en zijn optreden in openbare vergaderingen voor deze organisatie. Duitsche onderzoekers, die deze feiten onbekend bleven, zouden geen knip voor de neus waard zijn. Dit geldt eveneens voor zijn optreden tijdens de textielstaking te Enschede. In de door v.d. Lubbe en zijn kameraden uitgegeven Werkloozenkrant van Zaterdag 22 October 1932, komt b.v. een passage voor, die zich regelrecht tegen de C.P.H. en haar organisaties de R.V.O. en W.S.C. richt:

"Met eigen leiding, is niet onder R.V.O.-leiding; onder R.V.O.-leiding is geen leiding.
En zachtjes aan wordt het ook duidelijk, dat het prediken van het W.S.C. van zelfstandigen strijd van onder op en eigen leiding een beetje stroop is. Wij hadden genoeg van het geblaasbalg van de W.S.C. Er was een lamlendige, twijfelachtige houding ontstaan bij de strijdwillende werkloozen van b.a. Daar moest een einde aan komen. Al mochten eischen en leuzen, demonstraties en meetings zachtjes aan tot aan je stro gaan zitten. Maar nu vooruit, zelf handelend werken."

Om hun beschuldigingen een schijn van geloofwaardigheid te geven, vertelden de beschuldigers, dat zij in v.d. Lubbe’s zakken een bewijs van lidmaatschap van de communistische partij gevonden hadden. Het is merkwaardig, dat over dit gewichtige "bewijsstuk" in de latere Wolfberichten heelemaal niet meer gesproken wordt! Ook verneemt men niets meer van de verklaringen van de Berlijnsche Kriminal-Kommissar Helmuth Heisig, die het onderzoek geleid heeft en ook in verband hiermede een bezoek aan Nederland bracht, tijdens welk bezoek bij de verklaring aflegde, dat de brand door v.d. Lubbe alleen was gesticht.
In het Alg. Handelsblad van 11-3-33 opgenomen interview met Vaz Dias zegt hij het volgende:

"Met zekerheid is komen vast te staan, dat v.d. Lubbe de brandstichting zelf alleen heeft verricht. Met in benzine gedrenkte kleedingstukken is hij in razende snelheid het geheele gebouw doorgegaan, overal met zijn reusachtigen fakkel brand veroorzakende. Alles wat licht vlam vatte, zooals gordijnen, bekleedingen, heeft bij aangestoken en zoo is het te verklaren, dat het vuur op vele plaatsen tegelijk brandde."

Deze opvatting sluit ook volkomen aan bij v.d. Lubbe’s verklaringen voor den rechter-commissaris, tegenover wien hij voortdurend blijft volhouden de eenige dader te zijn. Van commissaris Heisig’s verklaring is na de publicatie in de maand Maart later niets meer vernomen en de veronderstelling is daarom niet te gewaagd, dat hij na deze onvoorzichtige uitlating bij zijn thuiskomst, door zijn superieuren op de vingers is getikt. Hoe zou men ook de beschuldiging tegen de vier communisten kunnen staandehouden, als de commissaris, die met het onderzoek belast was, zelf ging verklaren, dat v.d. Lubbe de eenige dader was? Op 14 Maart, dus drie dagen nadat Heisig’s verklaring in de pers verschenen is, wordt dan ook prompt door de Duitsche justitieele persdienst een tegenspraak gepubliceerd:

"In verschillende couranten is het bericht verschenen, dat v.d. Lubbe de brand in het Rijksdaggebouw alleen aangestoken zou hebben. De onderzoekingen van den rechter-commissaris hebben echter betrouwbare aanwijzingen aan het licht gebracht, waaruit blijkt, dat v.d. Lubbe de daad niet uit eigen beweging (aus eigenem Antrieb) volbracht heeft."

Het is niet noodzakelijk de vele tegenstrijdige publicaties, die in de Duitsche pers over deze zaak verschenen zijn, hier nog eens te herhalen. Voldoende is het, hier te constateeren, dat de beschuldiging van v.d. Lubbe’s contact met de Derde Internationale en de medeplichtigheid aan zijn daad van de vier menschen, die hiervoor in Leipzig terecht zullen staan, van ieder redelijken grond ontbloot is. De rechtscomedie is niets anders dan een variatie op de fascistische marxisten-verdelging, die in de Nazi-pers aangeduid wordt met de simpele woorden: "op de vlucht neergeschoten!"

Kameraad Jakhals grijpt zijn prooi!

Nauwelijks was het vast komen te staan, dat de gearresteerde brandstichter in het Rijksdaggebouw de Nederlandsche revolutionnaire arbeider Marinus v.d. Lubbe was, of de jakhals Komintern stak snuffelend zijn gevoeligeneus omhoog, rook een prooi en ging er, met den moed, die jakhalzen eigen is, regelrecht op af. Het ligt voor de hand, dat de K.P.D. de eerste was, die de stellige mededeeling kon doen, dat v.d. Lubbe een door de Nazi’s omgekochte provocateur was, een beschuldiging die onmiddellijk door alle andere, onder de hoede van de Komintern staande dagbladen en tijdschriften wordt overgenomen. Na deze eerste aankondiging volgden reeds spoedig nadere bijzonderheden betreffende het door v.d. Lubbe’s gepleegde "verraad". Van provocateur werd al spoedig "betaalde provocateur" gemaakt en de Humanité was zelfs zoo humaan te berichten, dat v.d. Lubbe met andere nationaal-socialisten er om geloot zou hebben, wie het karweitje moest opknappen. Aan deze mededeeling werd nog toegevoegd, dat de dader een belooning van 50.000 Mark zou krijgen en na verloop van twee maanden in vrijheid gesteld zou worden. Dit berichtje werd ook in vette letters over twee kolommen in "De Tribune" van 17 of 18 Maart afgedrukt. Allerlei bijzonderheden waaruit zou moeten blijken, dat de dader een onbetrouwbaar en minderwaardig individu was, werden ten beste gegeven en het was de ijverige Tribuneredactie die na het vernemen van "His Masters Voice" uit het Oosten, die fluisterde, dat het op deze manier goed ging, als pionier optrad in de lastercampagne tegen v.d. Lubbe. Nadat men met het schaamrood op de wangen had moeten erkennen, dat deze misdadiger inderdaad eens lid van de communistische partij Holland geweest was, volgde het verontschuldigende commentaar: "Bijna twee jaar geleden onttrok hij zich door bedanken aan een royement, dat door zijn optreden onvermijdelijk geworden was" (Tribune 1 Maart 1933). De bourgeoisie kon dus gerust zijn nadat de nette C.P.H. aldus openlijk erkend had, ongure elementen als deze v.d. Lubbe niet in haar rijen te dulden. Jammer voor de heeren leiders, dat deze v.d. Lubbe, zooals zoovele andere revolutionnairen, het zelf geweest is, die de C.P.H. zijn hakken had laten zien. Dr. Knuttel werd uit de stoffige intellectueelen hoek der partij gehaald en legde de volgende verklaring over de persoon van v.d. Lubbe af: "Speciaal in de werkloozenbeweging wilde v.d. Lubbe een politiek voeren, die niet die van de Partij was en er alleen op gericht was om sensatie te maken en een rol te spelen. Overgroote ijdelheid, avontuurlijke geest en zwerfzucht waren kenmerkend voor zijn persoon" (Tribune 1 Maart 1933). Het is overbodig hier alle verdachtmakingen en beschuldigingen aan het adres van v.d. Lubbe in de internationale pers gepubliceerd nog eens te herhalen, daar deze, hoe infaam zij overigens ook mogen zijn, in gemeenheid en leugenachtigheid overtroffen worden door het door intellectueelen samengestelde en onder "communistische" leiding geredigeerde Bruinboek, dat straks zal worden behandeld. Laat ons dus in de allereerste plaats deze vraag trachten te beantwoorden:

Waarom had de Derde Internationale er belang bij v.d. Lubbe op deze wijze te beschuldigen?

In de eerste plaats omdat de heeren directeuren van dit Russische handelszaakje bevangen werden door een panische angst toen hier onverwacht bleek, dat er nog proleten bestonden, die zich niet misleiden lieten door hun konkelpolitiek, een revolutie op afbetaling, maar die zelf en zelfstandig tot revolutionnair verzet kwamen. Jarenlang had men kunnen volstaan met het uitbazuinen van frazen, die allen ten doel hadden de werkelijkheid door schijn te vervangen en het Europeesche proletariaat, niet alleen ten dienste der russisch-nationale ontwikkeling, maar ook tot behoud en zekerstelling van het partij-apparaat en bijbehoorende organisaties, rustig te houden. Bovendien koesterde men gerechtvaardigde angst de kleinburgerlijke aanhang, die binnen en buiten de partij van minderheid tot meerderheid geworden was, te zullen verliezen, zoodra de massa daadwerkelijk tot verzet zou overgaan. Bij de Rijksdagverkiezingen van 5 Maart had men een oogst van bijna 5 millioen stemmen weten binnen te halen, dat was een winst, die niet door "daden van individueele terreur" in gevaar gebracht mocht worden. Men had weliswaar, wel altijd geschermd met schoone leuzen als "van onderen op", welk gebalk natuurlijk niet uitgesloten had, dat men rustig boven op de gekromde ruggen van het volgzame proletariaat was blijven zitten. Nu er echter plotseling iets van onder op gebeurde, nu een proletariër de moed gevonden had niet alleen een daad van protest tegen de bourgeoisie te verrichten, maar ook de heeren leiders der arbeiderspartijen minachtend in het gelaat spuwde door de vesting van hun demagogisch gekonkel, het Rijksdaggebouw, in vlammen te doen opgaan, sloeg dezen helden de schrik om het hart. De lichtende fakkel der revolutie, die uit den koepel van het Rijksdaggebouw zijn vlammen omhoog sloeg en die de harten van millioenen proleten over heel de wereld even sneller en vol verwachting op uitkomst deed kloppen, die iedere waarachtige revolutionnair de hoop gaf, dat er nu eindelijk eens iets zou gaan gebeuren, maakte de bonzen van Tweede en Derde Internationale bang. Hier dreigde gevaar, hier bestond de mogelijkheid tot een begin van den proletarischen opstand. De vonk moest tot elken prijs uitgetrapt worden en de eenige manier waarop dit afdoende kon gebeuren, was, v.d. Lubbe voor te stellen als een verrader, als provocateur der Nazi’s.

het bruinboek

De totstandkoming

Het Comité dat verantwoordelijk is voor den inhoud van het Bruinboek, met lord Marley als voorzitter en prof. Einstein als eere-voorzitter is samengesteld uit vogels van zeer verschillende pluimage. Functionnarissen der 3de Internationale, salon-bolsjewisten, burgerlijke intellectueelen en "beroemde" juristen zijn samengekomen als zonen van hetzelfde huis, broederlijk vereenigd.
Arbeiders der wereld, wrijft uw oogen uit en aanschouwt de ridderschaar, die voor U in het strijdperk treedt.

  • Nitti, van 1919 tot 1920, minister-president van Italië en dus een vriend der arbeiders. De revolutionnaire Italiaansche arbeiders zullen natuurlijk voor hem in staan.
  • Dr. P. H. Ritter, hoofd-redacteur van het Utrechtsche Dagblad. Gij hebt hem altijd voor een fascist gehouden, doch thans heeft hij het masker afgelegd en treedt met open vizier in het krijt.
  • Gortzak en Mej. van der Veer zijn slechts even te zien. Als goede leden der C.P.H. dringen zij zich hier, overeenkomstig hun instructies, niet op den voorgrond. Dat doet wel de mode-advocaat en pleitbezorger van het schatrijke schuim der Parijsche wereld, De Moro Giafferi, evenals zijn uit het beruchte Madame Hanau-proces beroemd geworden confrater, Mr. De Torrès. Het kunnen bij De Moro slechts edele motieven zijn, die hem hiertoe drijven. Op zijn pas verguld schild de spreuk: Naar eer en geweten ...
  • Asscher, juwelier en eigenaar van de grootste Amsterdamsche Diamantslijperij en dr. Van Oss, inspecteur van de gemeente-bezuiniging te Amsterdam, zullen ook een lans breken voor de proletarische hongerlijders in de concentratiekampen. Proletariërs, houdt moed.
  • Prof. van Riel, hoogleeraar aan het Oud-katholieke Seminarie te Amsterdam, zal de wapenen zegenen in naam van de katholieke god en ds. Banning (mor niet "sociaalfascist", canaille) zal hetzelfde doen in naam van de god der protestanten, Mevr. Bakker-Nort, parlementslid en partijgenoote van de Colijn-minister Mr. Marchant, berijdt een oranjekleurige muilezel en als waardige achterhoede in de optocht Dr. Otto Katz, in vuurroode mantel, waarop een sikkel en hamer geborduurd zijn, voortdurend de wapenkreet "waarheid!" uitstootend.

Honderden trekken aan uw verbaasde oogen voorbij, de room van de financieele, intellectueele en juridische wereld en van het kapitalisme.
Deze geweldige strijders werden bijeengebracht door de 3de Internationale; zij nam het initiatief. Op de vergadering in hotel "De Roode Leeuw" te Amsterdam, waar het Holland Comité gevormd werd en die onder leiding stond van de functionnarissen der C.P.H., Gortzak en Mej. A. v.d. Veer werd wel ontkend, dat deze actie iets met de 3de Internationale te maken had, maar mantelorganisaties, die niet hun ware karakter weten te bemantelen, zouden moeite voor niets zijn. In elk geval, arbeiders, kijkt niet zoo nauw, het gebeurt alles alleen in jullie belang!

Bedrog

Welk een ellendige huichelarij. - Denkt gij, arbeiders, dat deze heeren en dames, de knapste koppen, de scherpzinnigste juristen, de denkers, de kunstenaars, de leiders der kapitalistische wereld, deze bovenste laag der maatschappij, die u uitbuit of die van die uitbuiting profiteeren, denkt gij dat zij gek zijn? Als het werkelijk om uw belang ging, het belang der uitgebuiten, der proletarische klasse, zou dan in dezen tijd, de tijd der felste klasse-tegenstellingen, dit bonte gezelschap bijeenkomen? Neen, deze geheele vertooning teekent het internationale front, dat bezig is zich te vormen. Het Fransche, het Engelsche en het Amerikaansche imperialisme, de zatte bourgeoisie van Holland, verbonden met de nieuwe Stalin-bourgeoisie, is bezig één front te vormen tegen het Midden-Europeesche blok en Italië. Het bedrog van deze comité’s, de vriendschappelijke bezoeken van Herriot en de Fransche luchtvaartminister te Moskou, de "succesvolle" conferenties van Litwinof met Sir John Simon, evenals aan de andere kant het verbod der Japansche regeering van elke anti-Hitlerpublicatie, toont ons de groote scheuren in de kapitalistische wereld. Deze scheuren toonen de plaats aan, waar de loopgraven en massagraven in de snel naderende wereldoorlog hun millioenen proletariërs zullen ontvangen. Maskers af, dames en heeren: toont den arbeiders uw ware gezicht!

De Jeugd van Van der Lubbe

De sensatie-roman in het Bruinboek, begint met de mededeeling, dat Marinus v.d. Lubbe op 13 Januari 1909 te Leiden geboren werd. Wij moeten de nauwgezette samenstellers van het Bruinboek recht doen wedervaren en erkennen, dat deze mededeeling juist is.
Met de vermelding van de geboortedatum begint en eindigt echter de reeks van juistheden, die over Marinus v.d. Lubbe in het Bruinboek worden gepubliceerd. Om dadelijk aan te toonen, hoe slordig de samenstellers zijn te werk gegaan en op welke wijze zij zich met sluwe feitenverdraaiing hebben bezig gehouden, is het noodzakelijk reeds de tweede alinea van het hoofdstuk, dat over v.d. Lubbe handelt, in zijn geheel te citeeren. Op blz.44 staat:

"Het kind kreeg den naam Marinus. De moeder, Petronella van Handel, is met Franciscus Cornelis v.d. Lubbe in de tweede echt verbonden. Dochter van een rijken boer uit Noord-Brabant, huwde zij in haar jonge jaren den koloniaal-onder-officier van Peuthe. In dit huwelijk schonk zij het leven aan een dochter en drie zoons. Peuthe stierf betrekkelijk jong aan een ziekte, die hij in de koloniën opgedaan had. Zijn weduwe hertrouwde kort na zijn dood met den marskramer v.d. Lubbe, die in Leiden een zaak dreef. Uit dit huwelijk komen drie zoons voort. Marinus was het zevende en laatste kind van Petronella Handel."

Nu even voorzichtig ruiken aan dit bouquetje onjuistheden, leugens en verdraaiingen. Niet meer dan een neus vol nemen, anders vallen wij reeds dadelijk flauw van den stank, die uit deze mestpoel opstijgt. In de eerste plaats is het niet waar, dat Peuthe betrekkelijk jong stierf, integendeel, hij stierf juist "betrekkelijk" oud, namelijk in 1919 en was bij de zeventig. Als het nu juist zou zijn, dat zij "kort na zijn dood" hertrouwde, dan zou v.d. Lubbe, het derde kind uit dit huwelijk, op dit oogenblik, als zijn vader en moeder tenminste ieder jaar voor een nieuwen wereldburger zouden hebben gezorgd, op dit oogenblik niet ouder dan 11 of 12 jaar kunnen zijn. De sluwe Bruinboekjager heeft zich hier echter zelf gevangen. Peuthe moest jong sterven, omdat hij leed aan "zekere" ziekte die hij in de koloniën zou hebben opgedaan. Nu mag het bekend geacht worden, dat, waar de Nederlandsche kapitalisten uit Indië hun millioenen halen, er voor Jan de Soldaat uit Insulinde niet veel meer dan de militaire Willemsorde en syphilis te incasseeren valt. De Bruinboekschrijvers, rekenend op onoplettendheid hunner lezers, meenden dat het voldoende was, om over "een ziekte" te spreken om de wereld de suggestie te geven, dat het gezin, waaruit Marinus voortkwam, beroerd genoeg was om nakomelingen op te leveren die gedegenereerd zijn. Enfin, precies zooals v.d. Lubbe thans 13 jaar is, stierf Peuthe op "betrekkelijk jonge leeftijd aan een ziekte, die hij in de koloniën zou hebben opgedaan."
Dezelfde domme viezigheid heeft men uitgehaald met het portret der familie v.d. Lubbe, dat in het Bruinboek tegenover pagina 137 voorkomt. Als onderschrift prijkt onder dit plaatje: "Franciscus Cornelus v.d. Lubbe und Petronella Van Handel, mit dem Kind Marinus". Maar het was Dr.Katz, de Bruinboek-inquisiteur, die het portret van de familie Sjardijn ontving, onder de uitdrukkelijke belofte, dat hij hieruit, uit piëteit tegenover de moeder, alléén het beeld van de vader publiceeren zou, bekend, dat het op het portret voorkomende kind niet Marinus, maar diens oudere broeder was. Dit was hem gezegd onder mededeeling, dat de foto dertig jaar geleden gemaakt was. Hier dus het bewijs dat Otto Katz die de waarheid moest dienen, zich aan opzettelijke vervalsching en woordbreuk heeft schuldig gemaakt. Een paar sprekende bewijzen voor de "betrouwbaarheid" van dit individu:
Marinus is bang voor meisjes.
Als men met de beschrijving van Marinus’ jeugd tot ongeveer zijn twaalfde levensjaar gevorderd is, beginnen de bruine edellieden hun lezerspubliek er reeds op voor te bereiden, dat Marinus een vreemd kereltje is en zonder het nog uit te spreken, laat men den scherpzinnigen lezer tusschen de regels door lezen, dat er best eens een homo-sexueel uit dit vreemde kereltje zou kunnen groeien. Nu laat het ons persoonlijk koud of iemand homo-sexueel, zwaargewichtkampioen of misschien spiritist of iets anders is, maar waar hier Marinus’ beweerde homo-sexualiteit voorgewend wordt om later zijn bekendheid met de Nazi’s te verklaren, moeten wij er toch even bij blijven stilstaan. De eerste prik krijgt het slachtoffer op pag. 46:

"Zij (zijn kameraden) plagen hem echter ook om zijn vrees voor meisjes. Deze eigenaardigheid van Marinus v.d. Lubbe is zoo sterk en opvallend, dat zijn vroegere schoolkameraden daarvan thans nog eensgezind spreken. Hij was er nooit toe te krijgen in meisjesgezelschap te verkeeren. Hij zocht zijn liefde in de rijen der schoolknapen en jongens van zijn leeftijd."

De tweede injectie met de homo-sexueele bacil dient men hem toe op pag.47:

"Des te onduidelijker is het den metselaars, dat Marinus v.d. Lubbe zoo bang voor vrouwen is."

Het is onmogelijk het jeugdverhaal van v.d. Lubbe, zooals dit in het Bruinboek is weergegeven, op den voet te blijven volgen. Wij moeten ons even met de beschuldiging der homo-sexualiteit, die sterker wordt, naarmate het oogenblik van zijn zoogenaamde ontmoeting met Dr. Bell meer nadert, blijven bezig houden.
Op pag. 52 in de eerste plaats een gemeene verminking van een verklaring van Izak Vink, een van v.d. Lubbe’s vrienden. Hier staat: "Izak Vink heeft onzen berichtgever verteld, dat hij met v.d. Lubbe dikwijls in één bed geslapen heeft." Waarom staat hier niet de geheele zin, zooals die door Vink uitgesproken werd, nl.: "Ik heb vaak met v.d. L. in één bed geslapen, zonder dat ik iets van homo-sexueele neigingen bij hem waargenomen heb." Dit is iets heel anders, dan deze slachters van zinnen en proletarische reputaties er van gemaakt hebben. En gelooft deze goocheme knoeier Dr.Otto Katz nu werkelijk, dat Vink, of wie anders dan ook, het openlijk zou hebben gezegd, als hij inderdaad homo-sexueel geweest zou zijn?

Hier volgen eenige verklaringen over deze z.g.n. homosexualiteit, niet van ongenoemd personen, die, zooals in het Bruinboek, in het duister blijven, maar van arbeiders, die hun naam durven noemen:

Verklaringen:

Toen Otto Katz mij vroeg of ik ooit iets gemerkt had van homo-sexueele neigingen of zooiets van Marinus v.d. Lubbe, zeide ik ongeveer: "Neen, ik heb van hem nooit zooiets gemerkt, of gehoord. En trouwens als iemand dat kan weten dan ik toch wel, want hij heeft verschillende keeren bij me geslapen. Ik zou dat dan toch wel eens gemerkt hebben als daar iets van aan was. Uit het Bruinboek bemerkte ik dat mijn verklaringen geheel verkeerd, en verdraaid is weergegeven.
w.g. I. de Vink.

Ondergeteekende verklaart, hiermede, dat hij met Marinus v.d. Lubbe verscheiden malen is wezen zwemmen en zelfs een heele nacht aan zee geweest is voor training voor zijn kanaaltocht, maar nooit iets heeft gemerkt van afwijking op zedelijk gebied.
(w.g.) S. van Erkel,
Kathrijnestraat 6a, Leiden.
(Onderteekenaar dezer verklaring is lid van de C.P.H.).


Leiden, 11-8-33.
Met oprechte verontwaardiging neemt ondergeteekende stelling tegen de gruwelijke laster v.d. Lubbe aangedaan in De Tribune van Dinsdag 8 Augustus 1933.
In dit orgaan stelt men het zonder voorbehoud voor, als zou v.d. Lubbe een homo-sexueel zijn. Met nadruk spreekt ondergeteekende dit tegen, daar v.d. Lubbe zeer vaak ‘s nacht te zijnen huize vertoefde en nooit het minste erop gewezen heeft, dat bovengenoemde afwijking aan v.d. Lubbe eigen zou zijn.
(w.g.) H. W. van Zijp,
Uiterste Gracht 56, Leiden

Voorzoover ik heb kunnen nagaan heb ik nooit kunnen constateeren dat v.d. Lubbe leed aan homo-sexualiteit. Ik heb geruimen tijd met hem één kamer gedeeld.
(w.g.) D. K. Korpershoek
Vliet 36, Leiden.

Ondergeteekende kent v.d. Lubbe bijna negen jaar. Lubbe kwam bij mij als huisvriend, was bij mij op kamers, ik zwom met Rinus, enz. Nooit heeft Rinus symptomen aan den dag gelegd, die vorenbedoelde belastering zouden kunnen bewijzen.
(w.g.) S. J. Harteveld,
Levendaal 74, Leiden.

Leiden, 13 Sept. 1933.
Ondergeteekende, welke met Marinus v.d. Lubbe van 1924 tot 1932 omgang heeft gehad, zoowel in de C.P.H. als op bouwwerken, bij sport en kampeeren, verklaart nooit eenige afwijking op sexueel gebied, met name homo-sexueele neigingen bij genoemde Marinus v.d. Lubbe geconstateerd hebben. Tevens verklaart onderget. van de zeer velen, die met Marinus v.d. Lubbe omgang hadden niets gehoord te hebben wat op een afwijking wees.
Niemand heeft ooit een aanwijzing in die richting gedaan.
(w.g.) Ch. H. Verhoecke,
Driftstraat 90, Leiden.

Ten slotte nog iets over de geraffineerde manier waarop de intellectueel Katz, de familie van v.d. Lubbe verklaringen over deze zgn. homosexualiteit heeft trachten af te persen. Voordat de proletarische cultuurbrengers van het Bruinboek deze menschen met een bezoek "vereerd" hadden, hadden deze eenvoudige arbeiders geen begrip van iets, wat men "homosexualiteit" noemt. Katz vertelde, dat hij gehoord zou hebben, dat Marinus zich reeds in zijn jeugd, wat de meisjes betrof, vreemd moet hebben gedragen. De familieleden, die dachten dat men Marinus van losbandigheid zou kunnen verdenken, maar die tegenover dezen meneer, "die het zoo goed met dien jongen meende" ook niet wilden liegen, antwoordden, dat Marinus als jongen wel eens een grapje met meisjes gemaakt had, maar zich in dit opzicht toch niet slechter gedragen had dan andere jongens van zijn leeftijd. Dr. Katz kreeg hier precies het omgekeerde te hooren van wat bij verlangde en kon, ondanks het feit, dat de familie vreesde Marinus als een boemelaar gekenschetst te zien, geen verklaring over een bijzondere verhouding tot "vriendjes" los krijgen.

Marinus voor de operette rechtbank te London

De redactie van het Dagblad "De Tribune" heeft er herhaaldelijk in haar kolommen op aangedrongen, dat het Comité Van der Lubbe de brieven en bescheiden, die in haar bezit waren, zou publiceeren. Deed men dit om Marinus van dienst te zijn en hem eventueel alsnog te rehabiliteeren? Volstrekt niet. Men drong op publicatie aan uit angst; men vreesde, dat de in het bezit van ons Comité zijnde gegevens niet gepubliceerd zouden worden vÓÓrdat de zitting te Londen plaats vond, waar dan nog volgens dezelfde methode, die bij het samenstellen van het Bruinboek heeft plaatsgevonden, geknoeid kon worden om een voorstelling van zaken te geven, die in v.d. Lubbe’s nadeel zou zijn.
Ook de "Telegraaf"-redactie is in dit troebele water aan het visschen geweest Om Marinus recht te doen wedervaren? Geen sprake van. Deze vergiftigers der volksmeening hadden alleen maar sensationeele copie voor hun lezers noodig.
De Tribune insinueert ook, dat het Van der Lubbe Comité mededeelingen en gegevens aan de "proletarische" pers onthoudt, terwijl het deze wèl aan een burgerlijk blad van fascistisch karakter als "De Telegraaf" verstrekt zou hebben. Hoewel dit boek niet bestemd is om ons Comité, maar om v.d. Lubbe te verdedigen, achten wij het toch noodzakelijk hier te verklaren, dat door ons tot op het oogenblik van het verschijnen van dit boek nimmer een inlichting gegeven of een document ter inzage verstrekt is aan de redactie van eenig blad. Een uitzondering hierop maken de pers-communiqué’s, die wij aan het Persbureau Vaz Dias verstrekten. Slechts éénmaal had één onzer comité-leden een toevallige ontmoeting, ten huize van Harteveld, met een Telegraaf-redacteur, die daar onverwacht verscheen. Ook bij deze ontmoeting werd, behalve een mededeeling over het doel van ons Comité, iedere verdere inlichting geweigerd. Het is niet onmogelijk, dat een van v.d. Lubbe’s vrienden, voordat deze tot ons Comité toetrad, inlichtingen aan de pers verstrekte en zulks deed in zijn ijver om zijn vriend voor de wereld te zuiveren van de blaam, die het publicatie apparaat der 3de Internationale op hem geworpen had. Wij kunnen dit begrijpen, hoewel wij deze houding niet goedkeuren, omdat wij de burgerlijke pers, deze verachtelijkste hoer van het kapitalisme, het recht noch de macht toekennen, een proleet in verdediging te nemen.
En van de Tribune-redacteur, Mr. de Leeuw, deze proletarische snob, die in zijn poenig, doch stuntelig en onmenschkundig geschrijf er reeds zoo vaak blijk van gaf niets van de proletarische geest te begrijpen en volkomen vreemd te staan tegenover de proletarische samenhoorigheid, die de basis vormt voor het klassebewustzijn, verwachten wij allerminst praatjes en kwasi-verontwaardigde uitroepen zooals: "Hier met de brieven". Zijn advocatenstreken raken zelfs onze kouwe kleeren niet, het gewauwel van dit knaagdier kan ons geen vrees aanjagen, om ons te overdonderen is een ander wezen noodig dan dit in de Moskousche couveuse opgefokte insect, dat wel een groote bek, maar geen lichaam heeft. Neen, waarde heer, de brieven komen thans dààr waar zij behooren: in de handen der arbeiders, wier meening door uw vuilschrijverij en die van uw gluiperig vriendje Katz vergiftigd werd, echter niet bij U of uw Tribune, die beiden even onbetrouwbaar, leugenachtig en arbeidersvijandig zijn.
En nu genoeg: na dit vuil van onze pen geveegd te hebben, zullen wij verder gaan.
Op den tweeden dag van het tegenproces te London, nadat men eerst voor deze proletarische zaak de welwillende medewerking van den voormaligen Berlijnschen politiepresident Greszinski heeft ingeroepen, een sociaal-fascist, die de Duitsche bourgeoisie met behulp van knuppels en geweren steeds trouw gediend en die de dood van tallooze revolutionnairen op zijn geweten heeft, komt v.d. Lubbe’s homosexualiteit weer op de proppen. In het uitvoerige verslag dezer zitting, verschenen in de Tribune van Zaterdag 26 September 1933 lezen wij:

"Onweerlegbaar staat blijkens de getuigenissen vast, dat v.d. Lubbe homosexueel is."

"Onweerlegbaar staat vast" . Zeker, burgers, boeren en buitenlui, gaat dat zien, gaat dat zien. De groote konkel- en gruweltent der 3de Internationale. Treedt binnen en ziet hoe hier alle geheimen met ei en koffiedik ontsluierd worden, hoe men bewijst zonder bewijzen, hoe men schandknapen en pederasten fokt. En god zeide: Daar zij licht en daar was licht. En de knoeiers spraken: Daar zij een flikker en er was er een! De getuigen zeggen het! Maar wie dan toch, mijne heeren? Wij vragen U, tegenover de pertinente ontkenningen in dit boek opgenomen, slechts één duidelijke, volkomen uitgesproken beschuldiging te stellen. Hiertoe zijt gij niet bij machte gebleken. Eerst verschijnt de groote onbekende W. S. die weer zijn verhaaltje over de spoorloos verdwenen liefdelijst van Röhm doet, op welke lijst alleen maar namen, zonder meer, zooals Fritz, Adolf, Ernst enz. voorgekomen moeten zijn. Eén naam maakte hierop echter een uitzondering n.l. die van v.d. Lubbe. Ja buurvrouw, daar stond het nou toch waarachtig: "Op driekwart ter hoogte naar beneden toe, zag ik een naam, die mij door zijn ongewoonheid trof: Marinus van der, en dan één of twee letters, die ik niet goed lezen kon, S, T, L of H en dan ....ubbe, waarachter Holland." (Verslag in Het Volk van Zaterdag 16 September 1933). Toch verstandig van Dr. Bell om op een lijst van louter kort naamaanduidingen, den naam van v.d. Lubbe voluit te schrijven en nog wel met den naam van het land waar hij vandaan kwam erachter. Men was in Duitschland toen natuurlijk al hyper-nationalistisch en wilde de buitenlandsche homo van den vaderlandschen onderscheiden. Maar, heeren rechters bij de gratie van alles wat naar politieke zwendel stinkt, om te kunnen zeggen, dat iemands schuld in een bepaald geval "onweerlegbaar is komen vast te staan" zijn andere bewijzen dan deze kruiswoordraadsels noodig. Geen nood, nietwaar: Als klap op de vuurpijl komt dan de verklaring van den letterkundige Freek van Leeuwen. Wij hadden ons, uit hoofde van Van Leeuwens deskundigheid op het gebied der homosexualiteit, heel wat voorgesteld. Het is op niets uitgeloopen. Freek kreeg reisgeld uit de goedvoorziene kas van uw Comité, maakte een boottochtje naar London en wat zegt Freek nou in zijn ijver om het proletarische recht te dienen en uit dankbaarheid voor het boottochtje? Geeft Freek, die het weten kan, het "onweerlegbare bewijs" van v.d. Lubbe’s homosexualiteit? Mis - weg reisgeld, weg hooggespannen verwachting. Van Leeuwen verklaart niets anders dan wat iedereen in zijn plaats had kunnen verklaren: Hij zegt: Zijn indruk was, dat v.d. Lubbe homosexueel was, welke indruk hij steeds heeft behouden. Gefeliciteerd met het behoud van je indrukken, vriend van Leeuwen, maar overtuigend onweerlegbaar is je wazige verklaring allerminst. Jij, alleen jij, zou het in je macht gehad hebben b.v. te zeggen: dat je de besliste zekerheid en overtuiging had, dat Marinus een homosexueel was. Dat je dit nagelaten, dat je het niet verder dan een insinuatie gebracht hebt, bewijst dat je niets met zekerheid wist.
En nu genoeg.
In het aanhangsel van dit boek is het portret afgedrukt van een Hongaarsche vrouw, met wie v.d. Lubbe liefdesbetrekkingen moet hebben onderhouden. In het Bruinboek staat, dat Marinus v.d. Lubbe dit meisje uit een Boedapester bordeel bevrijden wilde en als het in dit, door zijn klaarheid en oprechtheid overtuigend Bruinboek staat, zal het wel waar zijn. Men haalt er zelfs de psycho-analytische prof. Freud bij, zegt dat het een typische trek van homosexueelen is om meisjes uit een bordeel te willen verlossen en dat Freud dit verlangen "het Parsivalcomplex" noemt. Men zegt er echter niet bij, dat deze neiging, ook volgens Freud, ook bij volkomen sexueel normale jongens veelvuldig voorkomt.
Wij wenschen de voetsporen van de Bruinboekschrijvers niet te drukken en voelen er derhalve niets voor om nietszeggende stukken in afbeelding in ons boek op te nemen, om dit daardoor een valschen schijn van gedocumenteerdheid te geven. Daarom wijzen wij er nadrukkelijk op, dat wij deze foto niet publiceeren, omdat wij deze eenige waarde als document voor v.d. Lubbe’s verdediging zouden toekennen. Wij drukken deze foto in het Roodboek alleen af, omdat wij hopen, dat een der vele lezers van dit in vier talen verschijnende boek, deze vrouw op deze foto zal herkennen en ons zoo mogelijk van haar naam en tegenwoordige verblijfplaats in kennis zal willen stellen, opdat wij kunnen trachten van haar alsnog een verklaring over haar verhouding met v.d. Lubbe te krijgen.

En nu maken we een fascist van hem!

Alvorens dit hoofdstukje van ons boek te lezen, geven wij onzen lezers den raad, de achter in dit werk opgenomen dagboek en brieven van v.d. Lubbe te lezen. Zoo hij er ooit aan mocht hebben getwijfeld, of deze man, zooal geen uitgesproken fascist, dan toch iemand geweest moet zijn, die min of meer met fascistische denkbeelden besmet was, dan zijn wij er van overtuigd, dat dit wantrouwen door het lezen van Marinus’ eigen uitlatingen, volkomen weggenomen zal worden.
De beschuldigingen aan het adres van v.d. Lubbe in dit verband in pers, Bruinboek en te Londen uitgebracht, steunen letterlijk op niets. Deze "provocateur" is door alles heen zichzelf en dus een revolutionnair proletariër gebleven. Laten wij eens nagaan, waaruit de beschuldigingen in het Bruinboek bestaan. Allereerst vinden wij daarin de reproductie van een stuk met een stempel en dat de handteekening van een notaris draagt, het geen er op het eerste gezicht nogal gewichtig uit ziet. Lezen wij echter den tekst, dan blijft van dezen schijn-gewichtigheid niet veel over. Wat weten die vijf onderteekenaars van dit protocol over den fascist v.d. Lubbe te zeggen. Wij zullen het herhalen: zij zeggen, dat v.d. Lubbe niet geheel afwijzend tegenover het fascisme stond. Dat ziet er beroerd voor dien armen jongen uit. En waarom stond v.d. Lubbe niet geheel afwijzend tegenover het fascisme? Omdat hij op een door den fascistenleider Baars te Leiden op 6 October 1932 gehouden openbare vergadering (wij citeeren weer het protocol):

ten eerste: door toen talrijke aanwezige arbeiders hun ongenoegen te kennen gaven over het optreden van den fascistenleider Baars, op een stoel te springen, het woord te nemen en hen aan te manen den spreker rustig aan te hooren.
ten tweede: door zijn wijfelende houding in het debat, dat hij geenszins namens de Communistische Partij Holland voerde, waarbij hij zich van elken rechtstreekschen aanval op de fascisten, die zooals hij het uitdrukte "toch ook arbeiders waren", onthield.

Meer niet, maar voor de beschuldigers is het voldoende. Omdat v.d. Lubbe deed, wat ieder ander verstandig mensch, die een eenigszins vruchtdragend debat voeren wil, in zijn plaats gedaan zou hebben en het vrije woord voor zijn tegenstander vroeg, is hij ... een fascist. Omdat hij blijkbaar over meer menschenkennis en politiek inzicht beschikt dan de heeren van de C.P.H. is hij ... een fascist.
Omdat hij (let op, thans komt de aap uit de mouw) "geenszins namens de C.P.H." spreekt, is hij fascist.
We gaan terug naar een passage uit het Bruinboek. Om nog een bewijs te construeeren van v.d. Lubbe’s fascistische gezindheid, publiceert het Bruinboek een verslag van een vergadering van stakende chauffeurs, alwaar v.d. Lubbe aan het debat deelnam.
We willen in de eerste plaats opmerken dat dit verslag, door de Tribune-correspondent gemaakt, niet in de Tribune is opgenomen, maar ongeveer negen maanden later, na de brandstichting, gelukkig net op tijd gevonden werd.
Dit verslag welks juistheid in het Bruinboek met 12 handteekeningen "bewezen" wordt, is evenwel vervalscht.

Omtrent de manier waarop deze handteekeningen zijn verzameld, diene de volgende verklaring:

17 September 1933
Hier verklaar ik, dat de voorstelling in het Bruinboek gewekt, als zou door mij bevestigd zijn dat v.d. Lubbe, op de in het Bruinboek bedoelde chauffeursvergadering gedebatteerd heeft in fascistische zin of dat dit een fascistische tendens had, onjuist is. Door mij is een verslag uit de Tribune onderteekend met de bedoeling te onderschrijven dat v.d. Lubbe niet als C.P.H.-er debatteerde. Door mij is verklaard, dat v.d. Lubbe als Radencommunist debatteerde. De zinsnede in het Bruinboek, als zou v.d. Lubbe op genoemde vergadering voor de invidueele daad opgekomen zijn, is onjuist. v.d. Lubbe legde de nadruk op het zelfstandig optreden der arbeiders, los van partij en vakbeweging.
2de Callandstraat 24, Den Haag.
w. get. G. Nieuwkuyk

Zooals uit deze verklaring van de in den Haag in arbeiderskringen zeer gunstig bekend staanden arbeider, die bovendien nog lid van de C.P.H. blijkt, is de v.d. Lubbe in den mond gelegde zin, dat hij aanspoorde tot individueele actie, er opzettelijk bijgesleept om zijn politieke opvattingen verdacht te maken. Maar elk arbeider die geen vreemde is in de arbeidersbeweging weet, dat Radencommunisten geenszins de individueele actie propageeren.
Bovendien is deze zin zÓÓ in flagranten tegenspraak met het overige van zijn betoog, waaruit voor ieder duidelijk blijkt, dat niet voor individueele daden werd opgeroepen, maar aan het zelfstandig optreden der arbeiders de grootste aandacht werd besteed.
Voor wat de verwardheid betreft van deze opvattingen, willen wij er de aandacht op vestigen, dat deze zelfde theorie, althans in groote lijnen, door "de beste Marxisten van West-Europa" (Lenin), waaronder Dr. Herman Gorter, Rosa Luxemburg, gepropageerd werd.
En deze fascist is het, deze provocateur en verrader, die in zijn brieven uit Duitschland zinssneden als de volgende schrijft: "En dan vallen de dooden zeker niet door het zwaard der arbeidenden, maar de arbeiders, strijdend tegen de noodverordening Brüning en vechtend voor ‘brood en arbeid’ vallen onder het zwaard van het fascisme."
Wij zullen zijn verdediging aan anderen over laten en hieronder de verklaringen afdrukken van arbeiders, die v.d. Lubbe persoonlijk gekend hebben.

Ik ondergeteekende verklaar dat ik persoonlijk dikwijls met v.d. Lubbe in aanraking ben geweest, en verschillende gesprekken met hem gevoerd heb en hem in zijn politieke omgang gekend heb en steeds was v.d. Lubbe revolutionnair in zijn handelen, denken en doen. Wat iedereen in Leiden, die eerlijk en oprecht is, met feiten zal kunnen aantoonen. Geen een arbeider, die ook de laster van De Tribune gelooft, die men kameraad v.d. Lubbe aansmeert.
was get. J. H. van Leeuwen,
Schimmelstraat 22a, Leiden.

Leiden, 14 Augustus 1932.
Ondergeteekende verklaart hiermede, dat Marinus v.d. Lubbe, trots zijn politieke gedachte niet met de mijne overeenkomt, hij toch sterk tegen het fascisme optrad op openbare vergaderingen van die richting en ik ook niet met het geschrijf in de Tribune mee gaat teeken ik mij
M. van der Lelie, n.a.s.-r.s.p. man.

Ondergeteekende verklaart dat Marinus v.d. Lubbe gedurende dat ik hem ken zich heeft laten kennen als een man met een sterk ontwikkeld revolutionnair gedachte, kan ik zeggen, omreden dat ik hem van zeer nabij ken, ik heb namelijk met hem samengewerkt voor Spartacus waar hij dagen voor op stap was, tot zijn laatste reis naar Duitschland, sympathiseerde hij met Spartacus en werkte hij daarvoor. Ik verklaar dat het een besliste leugen is als zou v.d. Lubbe ook maar eenigszins sympathiek staan in verhouding tot het fascisme. Hij heeft door zijn daden getoond een felle bestrijder te zijn van het fascisme.
was get. D. Korpershoek

Leiden, 15 Augustus 1933
Ondergeteekende verklaart hierbij, dat de verdachtmaking in de Tribune volgens mijn inziens vuile laster en bemoddering van v.d. Lubbe is. Ik heb omgang met v.d. Lubbe gehad in huiselijken kring en ook politiek. Trots dat hij een andere richting is toegedaan "waar ik het niet mee eens ben" stond zijn karakter op een zeer hoog peil.
was get. P. J. Vijlbrief,
Julianastraat 3, Leiden.

Leiden 14 Augustus 1933
Naar aanleiding van het geval v.d. Lubbe verklaar ik, dat m.i. v.d. Lubbe wel verwarde, maar geen fascistische ideen had, zoover ik hem heb leeren kennen.
was get. C. H. Heemskerk.

Verklaring van de L.A.O.,
gepubliceerd in "Spartacus" no. 19 dd. 19 Maart 1933.
Wij hadden het bijzondere voorrecht, tot voor kort met hem in relatie te staan en hebben hem leeren kennen als een trouw, onvermoeid opofferend vechter voor het communisme, als waarachtig revolutionnair arbeider met een helder en scherp verstand voor wie den strijd zijner klasse, vleesch en bloed geworden was. Het is ons een behoefte in dezen tijd van verloochening openlijk voor hem in het strijdperk te treden, en tegen de door en door smerige geraffineerde, uit eigen belang ingegeven hetze van het leiderdom, stelling te nemen.

Uit de Strafgevangenis te Den Haag: 19 Augustus 1933
Beste Rinus,
Ik heb je brief ontvangen. Ja het was voor mij een verrassing, dat ik dien ochtend gepakt werd al was het te voorzien. Maar enfin, ze zullen wel omkomen. Ik las dat de actie in een nieuw stadium is gekomen. Je schrijft mij dat er in De Tribune stond dat v.d. Lubbe de laatste jaren "sinds 1931" fascistische redevoeringen had gehouden. Dat is natuurlijk een smerige laster om de actie van het Comité onmogelijk te maken, waar ze natuurlijk de kans niet voor hebben. Dat de heeren der c.p. geweldig aangebrand zijn, kunnen wij ons begrijpen. Daar wordt in de brochure teveel op het mislukken der politieke konkellarium in Duitschland gewezen, dat zij liever niet aan het daglicht blootgesteld zagen. Nu wat over v.d. Lubbe. Ik heb persoonlijk tijdens de chauffeursstaking v.d. Lubbe gesproken en hooren spreken. Wat hij daar sprak was revolutionnaire taal. Zijn opvattingen waren die der Linksche Arbeiders Oppositie (Spartacus-groep). Zelf met hem in discussie komende bleek mij dat hij meer revolutionnair sentiment in hem had als de heeren van de C.P.H. tezamen. V.d. Lubbe is en blijft een revolutionnair. Het zou wat anders geweest zijn als Marinus v.d. Lubbe b.v. redevoeringen zou gehouden hebben in die geest als ik hier laat volgen: Het proletarisch vaderland, of zooals Stalin in zijn laatste decreet zeide, dat hij aangetoond had, dat het socialisme in één land mogelijk was en nog meer van die onzin. Dat is zuiver nationalisme, zuiver fascistisch. Dan hadden ze gelijk gehad. Ik ben doordat mijn vrouw "dat stuk van Piet in de Vrije" overgeschreven hebbende in de gelegenheid geweest over Muller Lehning dit te zeggen, dat hij hand in hand met de Wijnkoops en de Vissers samen kan gaan en dat noemt zich het zout der aarde. Beware me voor zulk zout. Zij hebben allen de zaak van v.d. Lubbe immoreel verkracht. Maar v.d. Lubbe heeft onze moreele steun en zal die blijven behouden, tot het laatste toe. Nou Rinus, hopende met deze paar woorden te hebben bijgedragen voor de goede zaak, eindig ik. Je ziet, ik heb geen papier meer. Nou Rinus, ik hoop, dat ik nog iets naders van je hoor inzake het Comité. Doe Greet de groeten van mij en verder alle jongens.
p.s. Dit is een extra brief die ik aangevraagd heb, dus geen opoffering mijner kant. Nou, het beste hoor. Laat mijn vrouw hem lezen.
w. get. Roos.

12 Augustus 1933
Naar aanleiding van verschillende artikelen in De Tribune als zou kameraad Rinus v.d. Lubbe in een openbare vergadering van den fascist Baars zijn eigen uitgesproken moeten hebben, veel of min te voelen voor die partij. Dit moet ik ten stelligste tegenspreken. Kameraad v.d. Lubbe, hoewel ik het met zijn gedachten niet eens ben, heeft meer proletariërsbloed in zijn pink als heel Amstel 85. Waarom? Hij was dat gekonkel moe en offerde zich op in dienst van het proletariaat. Hij zag op zijn manier deze twee groote massa’s links en rechts en dacht natuurlijk nu of nooit en deed zijn revolutionnaire daad. Er is inkt genoeg, heeren, maar de daad, maar niet Rinus, maar gij! gij, zijt de voorhoede van het fascisme, dat moet ieder arbeider zooals ik ben duidelijk zijn. Weg met die inktkoelies en bonzen.
w. get. G. Finkler,
Oranjegracht 29 Leiden.

Leiden
Ondergeteekende voorzitter van het Plaatselijk Arbeidssecretariaat te Leiden, tevens voorzitter der Afd. Leiden, Revolutionnair Socialistische Partij, verklaart hiermede, dat volgens hem bij Marinus v.d. Lubbe nooit fascistische neigingen of vijandelijke daden jegens de arbeidersbeweging naar voren zijn gekomen. Ondanks verschil van meening beschouwde ik Marinus v.d. Lubbe een revolutionnair arbeider.
w. get. L. de Bolster

Leiden, 11-9-33
Reeds eerder heb ik, S. J. Harteveld, Levendaal 74, Leiden, trachten aan te toonen, welk schunnig maakwerk het Bruinboek (schrijver Otto Katz) is. Daar alle viezigheid rechtzetten een boekdeel zou eischen, zal ik kort zijn. Lezer van bovengenoemd boek, op pgn. 59 wordt gesproken als zou Marinus v.d. Lubbe Juni 1932 te Meisden hebben vertoefd. De pers internationaal van 6 Maart 1933 geeft een gelijkluidend bericht, met dit verschil, dat in de pers 1 Juli als datum wordt genoemd. Nu is deze verklaring alleen bedoeld om aan te toonen hoe "Katz" aan Juni komt, daar het wordt voorgesteld, als zouden de samenstellers van het Bruinboek hun materiaal uit andere bronnen en met levensgevaar hebben geput. Na vooraf van hun komst kennis te hebben gegeven, vervoegden op Zondag des namiddags 5 uur een heer en dame ten mijnent. De heer was Otto Katz, schrijver van "Mannen in het IJs" een Pool-tragedie, de dame was Annie van der Veer, te Amsterdam, Warmoesstraat. Daar het mij bekend was voor welk doel zij kwamen, vingen deze lui hier natuurlijk bot, wat zij bij hun vertrek zonder omweg bekenden. Dit hebben meerderen ervaren. En toch hebben zij nog iets bereikt, nl. dit: Katz bleef er star aan vasthouden, dat Marinus v.d. Lubbe 1 Juli in Meisden, Duitschland, had vertoefd. De geheele pers zei het toch, aldus Katz. Met bewijzen heb ik Katz toen overtuigd, dat dit een leugen was, zooals zooveel wat destijds de pers lanceerde. Tegenover mijn bewijzen moest Katz zijn houding opgeven, toch deed hij nog alsof, doch dit was camouflage. Hij had zijn doel bereikt. Het was hem alleen maar te doen om de juiste datum. Indien ik hem die niet had gegeven, dan had ook Katz met de pers in zee gegaan en 1 Juli angehouden. Ik geef deze uitwijding daarom, om aan te toonen, dat de samenstellers van het Bruinboek over weinig of geen materiaal beschikten en dat wat zij hadden, van de kameraden en vrienden van v.d. Lubbe hebben gekregen, doch het precies omgedraaid en vervalscht hebben om het tegen v.d. Lubbe te kunnen gebruiken. Daar ik de laffe ploert Katz toen reeds doorzag, heb ik hem toen al gewaarschuwd geen domme dingen te doen, wat hij ook beloofde. Ziehier de heldentenoren die met doodsverachting hebben gespeurd naar waarheid (?). Had Katz toen fier gezegd, hoe hij het misbruiken zou, waarlijk hij had geen Bruinboek in elkaar geflansd.
Ondergeteekenden bevestigen dat het hier verklaarde zoo is.
(w.g.) Chr. Harteveld-Jongeleen.
S. J. Harteveld.

50.000 mark belooning

"Pecunia non olet" (geld stinkt niet). Geld is het middel dat in onze gezegende kapitalistische samenleving tegen alle kwalen en euvelen gebruikt wordt. Men maakt er bonzen mee, koopt er ambtenaren mee om, pleegt moorden en voert oorlogen terwille van het geld. Wat lag er meer voor de hand dan dat de beschuldigers van Marinus, die weten welke een belangrijke rol het geld speelt, hem in de schoenen zouden schuiven, dat hij door de nazi’s voor zijn provocatie betaald zou zijn? Als er echter iets is, wat uit het leven van v.d. Lubbe glashelder, uit al zijn daden, woorden en gedachten blijkt, dan is dit zijn geringe behoefte aan stoffelijk genot en als onmiddellijk gevolg daarvan de geringe waarde, die hij aan geld hecht. Toch waagt de Humanité, gevolgd door de Tribune het er maar op en stuurt het bericht de wereld in, dat v.d. Lubbe [zich] tot de provocatie zou hebben laten verleiden door een belooning van 50.000 mark, die door de Nazi’s in het vooruitzicht zou zijn gesteld. Otto Katz volgt het voetspoor van zijn journalistieke rotgezellen en tracht in het Bruinboek aan te toonen, dat v.d. Lubbe omkoopbaar was. Het stuit ons tegen de borst hier opnieuw weer alle misselijke leugentjes, die dit heerschap opdischt, te herhalen. Ook aan ons geduld en uithoudingsvermogen komt eens een einde. Wij verklaren nadrukkelijk, dat v.d. Lubbe arm was en altijd en onder alle omstandigheden, ook toen hij zijn "rijke politieke liefderelaties" in Duitschland erop nahield, arm gebleven is. Hoe arm hij was, blijkt voldoende uit het feit, dat hij op 23 Februari 1933 een bedrag van ƒ 3.- kreeg toegezonden, van welke zending een postwissel-reçu in ons bezit is, dat men in de aanhang afgebeeld vindt. Ook tijdens zijn gevangenschap moet men dezen door de nazi’s rijkelijk beloonde omgekochte, nog een bedragje van ƒ 1.78 zenden (onderste reçu).

Als gast bij Nationaal-Socialisten

Op blz. 59 van de Duitsche uitgave van het Bruinboek staat een verhaal over een oponthoud van v.d. Lubbe bij nazi’s te Sornewitz in Saksen. Dit verhaal heeft een geschiedenis. Het verhaal heeft in zoo ongeveer alle bladen der wereld gestaan. Als datum werd in dat verhaal genoemd 1Juli32. Dr. Otto Katz kwam bij zijn nasporingen te Leiden bij de vrienden van Marinus en deed hen het verhaal zooals de pers dat verspreidde. Wel, zeiden deze vrienden, wij kunnen U op staande voet bewijzen, dat dit niet waar kan zijn, en zij deden het ook. Marinus was namelijk in Juni te Utrecht gearresteerd, om een straf van 3 maanden uit te zitten die hij gekregen had wegens het stukslaan van ruiten in het gebouw van het Burgerlijk Armbestuur, dat weigerde hem steun te verleenen. Hij werd 9 dagen daar vastgehouden en eerst losgelaten toen zijn vrienden hem ƒ 1.50 stuurden, noodig om in hooger beroep te gaan. De paar weken, die hij toen op vrije voeten bleef tot hij in Den Haag zijn straf verder uitzat, waren precies te controleeren. Daar zat Dr. Katz met zijn verhaal. Zonde van zoo’n mooi verhaal. Maar het kan "verbetert" worden, zoo, dat een paar luizige proleten er niet weer een vinger achter kunnen krijgen. En dus is het verhaal toch in het Bruinboek afgedrukt, alleen met deze simpele "verbetering": 1 Juli werd 1 en 2 Juni.

Verklaring 3 getuigen

Wij verklaren dat Dr. Otto Katz in tegenwoordigheid van ons drieën verklaarde dat Marinus v.d. Lubbe op 1 Juli 1932 in Saksen te Zörnewitz met Nazi-leiders was gezien en daarbij logeerde. Nadat wij verontwaardigd zeiden dat dit bewijsbaar onwaar was, hebben wij hetzelfde verhaal ook in het Bruinboek gelezen, waaraan Dr. Katz meewerkte, echter met deze verandering, dat van de datum gemaakt is 1 en 2 Juni 32.
J. Harteveld,
Chr. Harteveld-Jongeleen,
I. de Vink.

Het nieuwe verhaal

En nu het "verbeterde" verhaal. Volgens dit verhaal zou Marinus dus 1 en 2Juni bij die Nazi geweest zijn. Een gefotografeerde brief, achter in dit boek, geeft aan dat hij 15 Juni 32, om in hooger beroep te kunnen gaan, geen ƒ 1.50 heeft en dit zijn vrienden eerst moet vragen, hem te sturen.
En nu, afgezien van de bewezen leugenachtigheid van het oorspronkelijke verhaal, afgezien van het geknoei met de datum door Dr. Otto Katz, wilt gij ons nu wijsmaken, dat een Nazi-man, kersversch van zijn welgestelde Nazigastheeren komend, in Utrecht geen ƒ 1.50 meer heeft om in hooger beroep te gaan? Want hij kan zijn geld niet onderweg verzopen hebben, vindingrijke Dr. Katz, want ieder die hem kende, weet dat hij nooit dronk, zelfs voor sigaretten kan hij het niet over de balk gegooid hebben, want hij rookte niet en het achtenswaardige gezelschap van het Londensche proces is ons borg dat hij het niet verhoerde.

De schandknaap

In het Bruinboek vertelt een groote onbekende, die hier niet Rafles of X, maar voluit W.S. heet, dat Dr. Bell in 1931 herhaaldelijk een jongen Hollandschen arbeider, genaamd Renus of Rinus ontmoet moet hebben. Deze ontmoeting moet de veronderstelling aannemelijk maken, dat de homo-sexueel v.d. Lubbe door bemiddeling van dezen dokter Bell met andere vooraanstaande Nazi’s in aanraking gekomen zou zijn. Men heeft dus, volgens de gesuggereerde handleiding van het Bruinboek in v.d. Lubbe’s ontmoeting met Dr. Bell de eerste van een reeks feiten te zien, die uiteindelijk door de brand in het Rijksdaggebouw zou zijn afgesloten. Het geval laat aan duidelijkheid niets te wenschen over en een kind kan het begrijpen, alleen ... is het niet in overeenstemming met de feiten. Wij zullen straks terugkomen op v.d. Lubbe’s homosexualiteit en ons eerst alleen even bezig houden met de feiten uit het Bruinboek, die betrekking hebben op deze z.g. ontmoeting met Dr. Bell. Er wordt dan in de eerste plaats gezegd, dat v.d. Lubbe in September 1931 gedurende eenige dagen in München was, in welke stad hij een zekeren Dr. Bell gesproken zou hebben. Wanneer wij nu nagaan hoe de redacteuren van het Bruinboek aan deze feitenkennis komen, dan blijkt ons het volgende: op pag. 56 staat "v.d. Lubbe moet eenige dagen in München geweest zijn, want hij gaf zijn vrienden na zijn terugkeer uitvoerige en duidelijke schilderingen van deze stad". Dat hij verder met Dr. Bell in aanraking geweest moet zijn, meende men te mogen concludeeren uit de mededeeling van een (alweer niet bij name genoemden) jonge arbeider, wiens mededeeling eenige regels lager is afgedrukt. Ofschoon dit "bewijsmateriaal" door zijn zwakheid en voosheid voldoende voor zichzelf spreekt en geen enkel onbevooroordeeld mensch hieraan zonder meer geloof kan hechten, moet het toch even aan een nadere beschouwing onderworpen worden. Dat v.d. Lubbe op de genoemde datum inderdaad in München was, zijn de informateurs te weten gekomen van vrienden en familieleden van hun slachtoffer, die men voorspiegelde in het belang van v.d. Lubbe te handelen. Met dit uitgangspunt tot basis heeft men nu, zonder eenig feitenmateriaal een kaartenhuis van het bewijs opgetrokken. In de eerste plaats moet Marinus "eenige dagen" in München geweest zijn, want "hij geeft na zijn terugkeer uitvoerige en duidelijke schilderingen van deze stad." Men had met hetzelfde recht en dezelfde zekerheid kunnen zeggen: v.d. Lubbe heeft in München stomdronken in de goot gelegen, want hij heeft bij zijn terugkeer verklaard, dat hij het Hofbräuhaus gezien heeft. Waarom toch moet v.d. Lubbe "eenige dagen" in München geweest zijn, terwijl uit zijn betrouwbaar dagboek blijkt, dat hij in deze stad op Zondagmiddag 13 September aankwam en haar de volgende morgen vroeg alweer verliet? Omdat de heeren beschuldigers niets van zijn verblijf in München weten, er nu maar een gooi naar doen en zijn oponthou

> terug naar uitgave